Keuzemenu in de Flex BV, workshop voor accountants op 27 juni 2013

Op donderdag 27 juni 2013, geef ik workshops onder de titel “Keuzemenu in de Flex BV” tijdens de AN workshops van AccountancyNieuws (Kluwer). Algemene informatie over deze workshops op deze pagina. Intro van mijn workshop:

Keuzemenu in de Flex BV door Ellen Timmer
Het is even wennen, dat nieuwe BV-recht. Er is meer dan de uitkeringstest en de vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening. De per 1 oktober 2012 gewijzigde regels voor de BV bieden ook tal van nieuwe mogelijkheden die uitstekend bruikbaar zijn voor zowel kleinere als grotere ondernemingen. Te denken valt onder meer aan:

• Juridische structurering van familiebedrijven met onderscheid tussen de ondernemende aandeelhouders en de niet-ondernemende aandeelhouders.
• Bedrijfsopvolging waarbij de vertrekkende aandeelhouders bepaalde rechten behouden zolang zij nog niet volledig zijn uitgekocht.
• Joint ventures en andere samenwerkingsvormen.

Er wordt tijdens de workshop aandacht besteed aan de verdwenen formele voorschriften die nog wel in veel statuten zijn te vinden en die nieuwe mogelijkheden kunnen blokkeren. Ook de nieuwe positie van de certificaathouder, bijzondere mogelijkheden met betrekking tot de directie en het begrip “vergadergerechtigdheid” komen aan bod.
Het accent ligt bij deze workshop op de juridische mogelijkheden in het algemeen en niet op de juridische details.

Geplaatst in Bestuur en toezicht, Evenementen, Flexibilisering bv-recht | Tags: | Een reactie plaatsen

Tijdelijke wettelijke bepaling inzake evenwichtige verdeling van zetels over mannen en vrouwen in de wet bestuur & toezicht – artikel Litjens

Over de tijdelijke wettelijke bepaling inzake evenwichtige verdeling van zetels over mannen en vrouwen in de wet bestuur & toezicht verscheen in AccountancyNieuws een artikel van Robin Litjens. Hij meent dat de nieuwe verplichtingen serieus moeten worden genomen door de accountant en schrijft onder meer:

Het lijkt mij goed dat de accountant bij de bespreking van de jaarrekening ten minste aangeeft dat zulke toelichtingen een impact kunnen hebben op het (maatschappelijk) beeld van de onderneming. De kwaliteit van dergelijke toelichtingen geeft namelijk een beeld van de maatschappelijke awareness van de onderneming. Ook op dit punt kan de accountant een maatschappelijke rol vervullen

Geplaatst in Accountant en nieuw ondernemingsrecht, Bestuur en toezicht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , | Een reactie plaatsen

“Inflexibiliteit door flexibilisering bv-recht”, Dieleman over gevolgen artikel 2:210 lid 5 BW

Anton Dieleman blijft schrijven over de flex-bv. Onderstaand het artikel dat vandaag op accountant.nl verscheen en waarin hij attendeert op de problemen die worden veroorzaakt door artikel 210 lid 5 boek 2 BW, dat bepaalt dat als bestuurders tevens aandeelhouder zijn, het “opmaken” van de jaarrekening meteen de vaststelling betekent. Dat levert allerlei complicaties op, zoals andere auteurs, zoals Van Eck, ook al schreven.

Inflexibiliteit door flexibilisering bv-recht

dinsdag 14 mei 2013

Eind mei loopt de termijn af waarbinnen de jaarrekening 2012 van een bv moet zijn opgemaakt, indien geen sprake is van uitstel dat door de algemene vergadering (van aandeelhouders) mag worden verleend voor bijzondere omstandigheden.

Voor veel middelgrote en grote bv’s leidt dat sinds de flexibilisering van het bv-recht tot een extra uitdaging. Namelijk als alle aandeelhouders van de bv tegelijkertijd ook bestuurder van de bv zijn. Een situatie die veelvuldig voorkomt bij familiebedrijven. Dat vraagt om tijdige en goede afstemming tussen bestuur, algemene vergadering en accountant. Het onvoldoende onderkennen van deze problematiek kan ertoe leiden dat de jaarrekening wordt vastgesteld zonder dat de verklaring van de accountant beschikbaar was. Dat leidt tot een besluit van de algemene vergadering dat strijdig is met de wet. Ofwel: een nietig besluit. Een weinig benijdenswaardige positie voor de bv en haar bestuur en aandeelhouders die daarmee te maken krijgen.

Als alle aandeelhouders van een bv tegelijkertijd bestuurder van die bv zijn (let op: dit is niet hetzelfde als alle bestuurders die tegelijkertijd ook aandeelhouder zijn) geldt sinds 1 oktober 2012 dat ondertekening door de bestuurders van de jaarrekening tegelijkertijd geldt als vaststelling van dezelfde jaarrekening door de algemene vergadering.

Deze wijziging in de wet is bedoeld als vereenvoudiging. Maar de wetgever heeft geen rekening gehouden met de situatie dat bij controleplichtige middelgrote en grote bv’s de jaarrekening pas kan worden vastgesteld nadat de algemene vergadering kennis heeft kunnen nemen van de controleverklaring van de accountant. En de accountant zal die verklaring pas afgeven als het bestuur van de bv een definitieve – ondertekende jaarrekening oplevert.

Deze inflexibiliteit is door de wetgever niet voorzien en vraagt om een oplossing. De meest voor de hand liggende oplossing is het opnemen van een statutaire uitzondering op de hiervoor genoemde regel. Daardoor worden opmaken en vaststellen van de jaarrekening weer van elkaar losgekoppeld. De statuten van een bv dienen sinds 1 oktober 2012 toch al grondig beoordeeld en herzien te worden als gevolg van de flex-bv-bepalingen. In die herziening kan deze aanpassing eenvoudig worden meegenomen.

Zolang de statuten echter nog niet zijn aangepast zit er niets anders op dan goede afspraken te maken tussen de accountant en het bestuur over het logistieke proces rond de jaarrekening. De accountant dient zich er namelijk van te vergewissen dat hij een door het bestuur goedgekeurde, definitieve – maar nog niet ondertekende – versie van de jaarrekening ontvangt. Vervolgens kan de accountant zijn controleverklaring verstrekken. Daarna kan ondertekening van de jaarrekening door de bestuurder plaatsvinden, hetgeen in die situatie tegelijkertijd betekent dat de jaarrekening is vastgesteld door de algemene vergadering. Het komt weinig flexibel over, maar het is noodzakelijk om de kwalificatie als nietig besluit en de consequenties daarvan te voorkomen.

Anton Dieleman

Geplaatst in Accountant en nieuw ondernemingsrecht, Algemene vergadering, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , | Een reactie plaatsen

“Vaststellen jaarrekening; recht of plicht?”

Voor AccountancyNieuws van 10 mei 2013 schreef Anton Dieleman een artikel over de vraag of de algemene vergadering het recht of de verplichting heeft om de jaarrekening vast te stellen. Onderstaand het artikel dat ook in pdf-vorm kan worden geraadpleegd. Ik heb dit artikel ook gemeld in de LinkedIn groep over de flex-bv, waar gediscussieerd kan worden over het artikel.

Vaststellen jaarrekening; recht of plicht?

Het vaststellen van de jaarrekening door de algemene vergadering (van aandeelhouders) lijkt een formaliteit, maar op basis van de wettekst en de praktijk kan het soms tot interessante discussies leiden. Het gaat dan om de vraag of de algemene vergadering het recht, of de verplichting heeft om de jaarrekening vast te stellen. En om de vraag wat consequenties zijn voor onder meer de controleverklaring van de accountant als de jaarrekening op verzoek van de algemene vergadering wordt gewijzigd.

De jaarrekening van een BV of NV die onder Boek 2 BW valt (ik beperk me tot deze rechtspersonen) wordt opgemaakt door het bestuur van de rechtspersoon en ondertekend door alle bestuurders en commissarissen. Ontbreekt de handtekening van één of meer van de bestuurders of commissarissen, dan moet daarvan onder opgaaf van redenen melding worden gemaakt. De jaarrekening wordt vervolgens vastgesteld door de algemene vergadering.

De volgende termijnen zijn relevant: De jaarrekening van een BV of NV moet worden opgemaakt binnen vijf maanden na het einde van het boekjaar. [1] De algemene vergadering kan uitstel verlenen met zes maanden op grond van bijzondere omstandigheden. De wet bevat geen termijn voor het vaststellen van de jaarrekening. In het algemeen zal vaststelling plaatsvinden binnen twee maanden na de termijn die geldt voor het opmaken. De reden daarvoor is dat indien binnen die termijn van twee maanden geen vaststelling heeft plaatsgevonden, het bestuur van de BV of NV onverwijld de niet-vastgestelde jaarrekening openbaar moet maken. Op dat exemplaar van de te deponeren jaarrekening moet worden vermeld dat de jaarrekening niet is vastgesteld. Is de jaarrekening wel binnen de hiervoor genoemde termijn vastgesteld, dan geldt dat deponering bij het Handelsregister binnen acht dagen na vaststelling moet plaatsvinden. Uiterlijk binnen dertien maanden na balansdatum moet publicatie hebben plaatsgevonden. Voor de wettelijke verplichting een jaarrekening op te maken en te deponeren gelden slechts twee uitzonderingen: toepassing van het groepsregime van art. 2:403 BW en het vragen van ontheffing bij de minister van Economische zaken. Die ontheffing wordt overigens alleen verleend op basis van gewichtige redenen. De praktijk leert dat het dan om situaties van faillissement moet gaan.

Sinds het van kracht worden van de flex- BV-bepalingen is voor BV’s in sommige situaties sprake van een verkorting van de deponeringstermijn. Als namelijk alle aandeelhouders ook bestuurder zijn (let op: niet andersom) betekent ondertekening van de jaarrekening door de bestuurders tegelijkertijd vaststelling door de algemene vergadering (tenzij hiervan statutair is afgeweken). In die situatie wordt de jaarrekening vastgesteld binnen vijf of elf maanden en moet deponering plaatsvinden binnen de termijn van acht dagen na vaststelling.

Ik attendeer nog op de volgende vaak gemaakte vergissing: Het systeem van Boek 2 BW is zodanig dat binnen vijf maanden (dan wel elf maanden bij verlenging) sprake moet zijn van een definitieve jaarrekening. Het na dertien maanden deponeren van een voorlopige jaarrekening is dus niet toegestaan. Uiteraard realiseer ik me dat in bijzondere omstandigheden het de voorkeur kan hebben om een ‘voorlopige’ jaarrekening te deponeren in plaats van niets te deponeren. Maar nogmaals: de wet voorziet hierin niet. En het deponeren van voorlopige cijfers kan bijzonder slecht uitpakken in faillissementssituatie waarbij bestuurdersaansprakelijkheid een rol kan spelen.

Goedkeuring
Tot 1 oktober 2004 was met betrekking tot structuurvennootschappen sprake van een iets ander systeem. [2] Het bestuur van de vennootschap was verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening. De Raad van Commissarissen stelde de jaarrekening vast en de algemene vergadering keurde de jaarrekening goed (of af ). Onder dat regime had de algemene vergadering geen mogelijkheid om wijzigingen in de (door de RvC vastgestelde) jaarrekening aan te brengen. De bevoegdheid van de algemene vergadering was beperkt tot goed- of afkeuren. Sinds 1 oktober 2004 is dat gewijzigd en komt het systeem voor structuurvennootschappen overeen met het systeem voor andere BV’s en NV’s.

Plicht of recht
Interessant is de vraag of de algemene vergadering het recht, of de verplichting heeft om de jaarrekening vast te stellen.

De wet bevat geen concrete verplichting om de jaarrekening te laten vaststellen. In de (juridische) literatuur wordt over het algemeen uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
* de wettelijke bepaling dat de jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering beoogt (slechts) het orgaan aan te wijzen dat bevoegd is tot vaststellen;
* door vaststellen van de jaarrekening – als laatste stap in het jaarrekeningproces – ontstaat ‘de jaarrekening van de vennootschap’; [3]
* de algemene vergadering heeft de volgende mogelijkheden: de jaarrekening vaststellen, de jaarrekening niet vaststellen of de jaarrekening opnieuw laten opmaken door de bestuurders.

Hoewel de hiervoor genoemde aspecten terecht zijn, lijkt mij dat sprake is van een iets minder grote ‘vrijheid’. Ik motiveer dat aan de hand van de volgende omstandigheden:
a. het feit dat ‘de jaarrekening van de vennootschap’ eerst ontstaat na vaststelling door de algemene vergadering;
b. de wet spreekt in art. 2:101 lid 7 (NVbepaling) en 2:210 lid 8 (BV-bepaling) onder meer over ‘de verplichting tot vaststellen van de jaarrekening’;
c. het feit dat een niet-vastgestelde jaarrekening die bij het Handelsregister wordt gepubliceerd moet worden voorzien van een melding van de nietvastgestelde status;
d. dividenduitkeringen en besluiten tot inkoop van aandelen bij een NV moeten worden gebaseerd op de laatst vastgestelde jaarrekening (artt. 2:98 lid 3 en 105 lid 3BW);
e. bestemming van de winst door de algemene vergadering bij een BV gebeurt op basis van een vastgestelde jaarrekening (art. 2: 216 lid 1 BW).

Dit laat zien dat de algemene vergadering ‘in principe’ min of meer de verplichting heeft om als sluitstuk in het jaarrekeningproces de jaarrekening vast te stellen. Haar recht komt tot uiting in het feit dat ze vaststelling kan tegengaan of de jaarrekening kan amenderen. In het algemeen zal het bestuur hieraan tegemoetkomen en een nieuwe jaarrekening opmaken, dan wel de consequentie eraan verbinden om af te treden.

Verantwoordelijkheid accountant
Uiteraard ligt de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de jaarrekening bij de algemene vergadering. In een eerder artikel in Accountancynieuws [4] heb ik daar expliciet op gewezen. Dat was in het kader van een opmerkelijke uitspraak van de Accountantskamer over de rol en verantwoordelijkheid van de accountant voor het vaststellen (en deponeren) van de jaarrekening van een rechtspersoon. De Accountantskamer kwam in die uitspraak met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de accountant tot de volgende opmerkelijke stelling: ‘Maar ook het jaren niet ervoor zorgen, althans niet erop toezien, dat de jaarstukken van de cliënt worden vastgesteld en gedeponeerd, acht de Accountantskamer zeer verwijtbaar.’ Ik heb in het genoemde artikel al betoogd dat de Accountantskamer hier doorschiet, omdat het vaststellen en deponeren niet tot de verantwoordelijkheid van de accountant behoort. Wel kan uit de uitspraak van de Accountantskamer een zekere betekenis worden toegekend aan het feit dat het vaststellen van de jaarrekening niet geheel vrijblijvend is.

Aangepaste jaarrekening
De algemene vergadering zal niet lichtvaardig omgaan met haar bevoegdheid tot niet-vaststellen of amenderen van de jaarrekening. Allereerst omdat het bestuur primair verantwoordelijk is voor de jaarrekening en niet de algemene vergadering. Verder is bij controleplichtige rechtspersonen sprake van een controleverklaring van de accountant die de getrouwheid van de jaarrekening ‘bevestigt’. De algemene vergadering mag de jaarrekening namelijk niet vaststellen zonder kennis te kunnen nemen van de controleverklaring van de accountant. [5]

Tot slot is een besluit om niet tot vaststellen over te gaan een zwaarwichtig besluit in de governance-verhoudingen. Overigens zou het besluit om de jaarrekening niet vast te stellen, of deze te amenderen wel voor de hand kunnen liggen als een niet-goedkeurende controleverklaring aan de jaarrekening is gevoegd als gevolg van onjuistheden in de jaarrekening. Vervolgens is de vraag aan de orde: Wat is de consequentie van een besluit van de algemene vergadering tot amendering van de door de directie opgemaakte jaarrekening? Dit betekent dat het jaarrekeningproces wordt herhaald. Het bestuur maakt opnieuw een (tweede versie van de) jaarrekening op die ter vaststelling aan de algemene vergadering wordt voorgelegd. Ook dan geldt nog steeds dat vaststelling slechts kan plaatsvinden als de algemene vergadering kennis heeft kunnen nemen van de controleverklaring van de accountant. En omdat de jaarrekening in die situatie is gewijzigd, kan dit niet de controleverklaring zijn die bij de eerste versie van de jaarrekening is afgegeven. Het bestuur van de BV of NV zal de accountant daarom ook moeten vragen om een nieuwe verklaring af te geven. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat de accountant nooit zal toestaan dat zijn eerste verklaring wordt toegevoegd aan de nieuwe (gewijzigde) versie van de jaarrekening.

1 Art. 2:101 en 210 BW. Ik abstraheer van beursfondsen waarvoor een termijn van vier maanden geldt, zonder mogelijkheid van verlenging.
2 Staatsblad 2004, 370
3 Zie onder andere prof. dr. H. Beckman (Hoofdlijnen van het jaarrekeningrecht)
4 Accountancynieuws van 23 maart 2012, nr. 6
5 Art. 2:393 lid 7 BW

Geplaatst in Accountant en nieuw ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: | Een reactie plaatsen

Toekomst van de Kamer van Koophandel en het “Ondernemersplein”, nota naar aanleiding van het verslag ingediend bij Tweede Kamer

Vandaag heeft de minister van Economische Zaken, mede namens minister van Wonen en Rijksdienst, bij de Tweede Kamer een aantal stukken ingediend inzake de wijziging van de regels inzake de Kamer van Koophandel. Degenen die belangstelling hebben voor de plannen kunnen het volgende raadplegen:

Over de rol van de Kamer bij de criminaliteitsbestrijding staat in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende:

De leden van de PvdA-fractie vroegen voorts welke rol de KvK kan spelen bij de aanpak van faillissementsfraude en het toezicht op rechtspersonen. Dit thema is reeds in diverse kamerbrieven aan de orde geweest, bijvoorbeeld in de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 november 2012, over bestrijding georganiseerde criminaliteit (Kamerstukken II, 2012/13, 29911 nr. 74) en het Voortgangsverslag aanpak malafide uitzendondernemingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2013, (Kamerstukken II, 2012/13, 17050 nr. 427). Aan het slot van mijn brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de evaluatie van de Handelsregisterwet 2007 (Kamerstukken II, 2012/13, 33562 nr. 1) geef ik al aan dat de KvK een belangrijke rol kan en moet gaan spelen ter zake de bestrijding van criminaliteit. Door dat vast te leggen in de wettelijke doelstellingen van het handelsregister maak ik het mogelijk dat de KvK op eigen initiatief, dus anders dan op verzoek van een instantie hetgeen reeds vanouds mogelijk is, gegevens over natuurlijke personen waarover bij de KvK twijfels zijn gerezen, verstrekt aan opsporingsinstanties. Ook zeg ik in dat kader de KvK mijn steun toe om haar nieuwe rol als poortwachter waar te maken. Een belangrijke succesfactor bij de bestrijding van vele vormen van criminaliteit is samenwerking en gegevensuitwisseling tussen ketenpartners: KvK, opsporingsinstanties, het Openbaar Ministerie. Het kabinet zet daar dus sterk op in.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, Ondernemersplein | Tags: , | 1 reactie

Flexibilisering bv-recht en jaarrekening

In de Mazars nieuwsbrief Transport & Logistiek stond onderstaand artikel over flex-bv en jaarrekening, waarin de voor de jaarrekening relevante veranderingen worden samengevat:

Flexibilisering BV-recht en jaarrekening

27 maart 2013 – Sinds 1 oktober 2012 zijn de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de besloten vennootschap (‘BV’) ingrijpend gewijzigd. Onder het motto van ‘flexibilisering van het BV-recht’ is deze nieuwe regelgeving met ingang van die datum van kracht op alle BV’s, ongeacht hun oprichtingsdatum.

In de media wordt met name aandacht besteed aan de gevolgen voor de dividenduitkering (uitkeringstoets!) en het feit dat directeur-grootaandeelhouders (wellicht ongewild) bij ondertekening van de jaarrekening deze gelijk vaststellen. Hierdoor worden zij geconfronteerd met een verkorting van de deponerinsgtermijn. In dit artikel ontvangt u een kort overzicht van de consequenties van dit nieuwe BV-recht voor de jaarrekening. Het BV-recht wordt momenteel niet alleen bepaald door de nieuwe wettelijke bepalingen; ook statutaire bepalingen zijn van belang. Te meer omdat die laatste vaak nog zijn gebaseerd op het oude BV-recht.

Kapitaalbelangen

Sinds 1 oktober 2012 is het mogelijk in de BV onderscheid te maken in stemrechtloze en winstrechtloze aandelen. Stemrechtloze aandelen delen wel in de winst, maar hebben geen stemrecht; voor winstrechtloze aandelen geldt het omgekeerde: ze delen niet in de winst, maar hebben wel stemrecht in de BV. Dit onderscheid is van belang voor de kwalificatie van een kapitaalbelang. De vraag of sprake is van een deelneming loopt voornamelijk via het kapitaalbelang; voor de classificatie van dochter- en groepsmaatschappijen is met name de zeggenschap essentieel. Voor de waardering van kapitaalbelangen is eveneens de zeggenschap een relevante criterium. Waardering op basis van de zogenaamde netto-vermogenswaarde is alleen aan de orde als sprake is van het uitoefenen van invloed van betekenis in een deelneming.

Wettelijke reserves

Wettelijke reserves zijn reserves die in de jaarrekening van de BV – uit oogpunt van kapitaalbescherming – gevormd moeten worden. Deze kunnen worden onderscheiden in de zogenaamde ‘ondernemingsrechtelijke’ wettelijke reserves en ‘verslaggevingstechnische’ wettelijke reserves. Onder de eerstgenoemde categorie vallen onder meer de wettelijke reserve minimum gebonden vermogen (indien een BV minder dan EUR 18.000 geplaatst kapitaal had) en de wettelijke reserve steunverlening (indien de BV een lening verstrekte voor de financiering van de eigen overname). Deze wettelijke reserves zijn met ingang van 1 oktober 2012 vervallen.

De zogenaamde ‘verslaggevingstechnische’ wettelijke reserves omvatten onder meer de wettelijke reserve deelneming (zie paragraaf hierna) en de herwaarderingsreserve (voor de herwaardering van activa naar hogere actuele waarde). Deze wettelijke reserves blijven, ook sinds het van kracht worden van de flex-BV-bepalingen, nog steeds van toepassing.

Wettelijke reserve deelneming

De wettelijke reserve deelneming wordt gevormd voor resultaten van deelnemingen die bij de deelnemende rechtspersoon worden verwerkt, maar waarover laatstgenoemde niet kan beschikken. Dat kan – sinds het van kracht worden van de flex-BV-bepalingen – niet alleen relevant zijn voor minderheidsbelangen in een BV, maar ook voor meerderheidsbelangen.

Geplaatst in Accountant en nieuw ondernemingsrecht, Flexibilisering bv-recht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Overgangsrecht en fouten bij uitkeringen door een bv (vraag LinkedIn groep flex-bv)

In de LinkedIn groep over modernisering van het ondernemingsrecht ben ik vandaag de volgende discussie gestart:

Overgangsrecht en fouten bij uitkeringen door een bv

[nietig dividend?] Via Jan van Vliet kreeg ik de volgende overgangsrechtelijke vraag binnen.
Onder oud bv-recht heeft een bv een uitkering in strijd met artikel 216 gedaan (onvoldoende reserves). Kan nu op grond van artikel 81-1/3 Overgangswet worden gezegd dat de uitkering alsnog geldig wordt omdat wel aan het nieuwe recht wordt voldaan, waarbij er van uit wordt gegaan dat op grond van artikel 71 Overgangswet het dividendartikel in de statuten naar nieuw recht wordt gelezen. Wat vinden jullie?

Neem deel aan de discussie op LinkedIn.

Geplaatst in Uitkeringen (o.a. dividend) | Tags: | Een reactie plaatsen

Niet-vastgesteld of voorlopig deponeren jaarrekening

Wat te doen als de jaarrekening niet binnen de wettelijke termijn kan worden vastgesteld door de algemene vergadering? Dit is een vraag die de gemoederen van zowel accountants als juristen bezig houdt. Onlangs verscheen in het FD een artikel waaruit bleek dat de auteurs slechts de klok hadden horen luiden maar niet wisten waar de klepel hing.

Anton Dieleman schreef voor accountant.nl een artikel waarin hij uitlegt hoe het werkt met het opmaken en vaststellen van jaarrekeningen. Het artikel is hieronder weergegeven. Het origineel van accountant.nl staat hier.

Overigens staat onder de accountant.nl versie van het FD-artikel over niet tijdig deponeren van de publicatiestukken een reactie van Ronald van den Hoorn: “Denemarken kent een echt effectieve oplossing voor dit probleem. Als niet op tijd wordt gedeponeerd, dan wordt de onderneming van rechtswege ontbonden. Zonder pardon. Zie, dat werkt! :-) “.

Ook mevrouw Willemars schreef een artikel over het deponeren van de jaarrekening, onder de titel “Mystificaties over deponering jaarrekening”.

Onderstaand het artikel van Dieleman:

Niet-vastgesteld of voorlopig deponeren jaarrekening

vrijdag 26 april 2013

Terecht kopte het Financieele Dagblad op 23 april 2013: ‘Steeds meer bedrijven lopen risico door alleen voorlopige stukken te deponeren‘. Het artikel laat zien dat de procedure voor het opmaken, vaststellen en deponeren van jaarrekeningen van bv’s en nv’s soms onduidelijk lijkt te zijn.

Als bestuurders van dergelijke rechtspersonen zich daarvan onvoldoende bewust zijn, brengt onjuiste of onvolledige deponering inderdaad belangrijke risico’s met zich mee. Zeker in een periode van economische recessie waarin het risico op deconfiture groter is dan in tijden van economische vooruitgang. En juist bij faillissementssituaties is tijdige en volledige publicatie extra belangrijk.

In dit artikel een korte toelichting die enkele onjuistheden uit het genoemde FD-artikel rechtzet. Een niet-vastgestelde jaarrekening is namelijk geen voorlopige jaarrekening en dat lijkt onvoldoende te worden onderkend.

De jaarrekening van een bv of nv moet binnen vijf maanden na balansdatum worden opgemaakt. Deze termijn kan door de algemene vergadering (van aandeelhouders) op grond van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot elf maanden. Een verder uitstel is niet mogelijk. De enige uitzondering die de wet biedt is het vragen van ontheffing bij de minister van Economische Zaken. Deze ontheffing wordt alleen verleend bij gewichtige redenen zoals faillissementssituaties.

De wet gaat er dan ook vanuit dat uiterlijk binnen vijf of elf maanden een jaarrekening wordt opgemaakt en ondertekend door bestuurders en commissarissen. Binnen die termijn moet sprake zijn van een definitieve jaarrekening; een voorlopige jaarrekening komt niet voor in het systeem van de wet. Dat de Kamer van Koophandel dit toestaat is dan ook opmerkelijk – en strijdig met de wet. Hier worden ongetwijfeld ‘opmaken’ en ‘vaststellen’ door elkaar gehaald.

Normaliter wordt de opgemaakte jaarrekening namelijk vastgesteld door de algemene vergadering. Daarmee ontstaat ‘de’ jaarrekening van de vennootschap. Na vaststelling moet de jaarrekening binnen acht dagen bij het Handelsregister worden gedeponeerd.

Omdat de wet geen termijn kent waarbinnen vaststelling moet plaatsvinden, ontstaat regelmatig de vraag of vaststellen van de jaarrekening een plicht of een recht is. De wet voorziet namelijk wel in een (definitieve) opgemaakte, maar nog niet vastgestelde jaarrekening. Die niet-vastgestelde jaarrekening moet binnen twee maanden na de opmaaktermijn bij het Handelsregister worden gedeponeerd. Maar ook dan betreft het de definitieve opgemaakte jaarrekening.

Dat de algemene vergadering in principe een verplichting heeft tot vaststellen van de jaarrekening blijkt uit het feit dat bepaalde handelingen gekoppeld zijn aan de voorwaarde van een vastgestelde jaarrekening. Het recht van de algemene vergadering komt tot uiting doordat ze de opgemaakte jaarrekening kan amenderen en het bestuur kan vragen een nieuwe jaarrekening op te maken. Ook dan blijft nog steeds de wettelijke termijn gelden voor het deponeren. Deze loopt uiterlijk dertien maanden na balansdatum af (en indien alle aandeelhouders van een bv tevens bestuurder zijn, soms bijna twee maanden eerder).

Als te laat wordt gedeponeerd, of ‘slechts’ een voorlopige jaarrekening, dan wordt niet (c.q. niet volledig) aan de deponeringsplicht voldaan. In faillissementssituaties kan dit tot de weinig benijdenswaardige situatie van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders leiden. En dat is (soms letterlijk) het laatste waar een bestuurder op zit te wachten.

Anton Dieleman

Geplaatst in Accountant en nieuw ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, Bestuur en toezicht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewaarplicht voor rechtspersonen

Betrokkenen bij Nederlandse rechtspersonen dienen rekening te houden met de regels voor het bewaren van gegevens. Er is alle aanleiding om weer eens op hoofdlijnen op een rijtje te zetten hoe het met de bewaarplicht voor rechtspersonen zit. In dit artikel wordt op die bewaarplicht  ingegaan.

Inleiding

Bestuurders van Nederlandse rechtspersonen, zoals de besloten vennootschap, de vereniging en de stichting [*], dienen rekening te houden met de bewaartermijnen die voor de rechtspersoon gelden. De belangrijkste algemene regels zijn in boek 2 Burgerlijk Wetboek (rechtspersonenrecht) te vinden:

  • Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
  • Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen.
  • Het bestuur is verplicht de hiervoor bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
  • Ook van een ontbonden rechtspersoon moeten de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers worden bewaard, nl. gedurende zeven jaren nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Bewaarder is degene die met inachtneming van de statuten van de rechtspersoon daartoe is aangewezen.

De gegevens mogen digitaal worden bewaard, met inachtneming van het navolgende:

  • De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

Fiscale bewaartermijnen

Een rechtspersoon heeft ook ten opzichte van de belastingdienst een bewaarplicht. De fiscus hanteert eveneens zeven jaar als uitgangspunt. Echter, in verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting btw voor onroerende zaken, zoals bedrijfspanden, moeten de gegevens van onroerende zaken tien jaar worden bewaard.

Het is aan te bevelen over de fiscale bewaartermijnen de laatste informatie op http://www.belastingdienst.nl/ te raadplegen. Voorts dient u rekening te houden met de verwachtingen die de belastingdienst heeft aangaande de wijze waarop wordt bewaard. Daarover is op http://www.belastingdienst.nl/ meer te vinden [**]. Uw belastingadviseur kan u hierover nader inlichten.

Andere redenen om gegevens te bewaren

Naast de hiervoor genoemde algemene regels op het gebied van het rechtspersonenrecht en het belastingrecht, kan er voor bepaalde rechtspersonen op grond van specifieke regelgeving of andere redenen ook een verplichting zijn om bepaalde gegevens te bewaren. Bovendien zijn er ook wettelijke voorschriften die een maximale bewaartermijn voorschrijven, dat heeft dan met name betrekking op vertrouwelijke persoonsgegevens.

Te denken valt onder andere aan:

  • bijzondere wettelijke regels voor bepaalde ondernemingsbranches, zoals voor transporteurs, apothekers, notarissen, banken en verzekeringsmaatschappijen;
  • regelgeving waarbij persoonsgegevens aan de orde zijn, zoals personeelsadministraties, bepaalde databanken, video-opnamen, digitale volgsystemen, medische gegevens;
  • bijzondere wetgeving voor bepaalde groepen ondernemingen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) [***];
  • verplichtingen op grond van overeenkomsten of subsidievoorwaarden die voor de rechtspersoon gelden.

De aard van de activiteiten van de rechtspersoon en het risicoprofiel kunnen eveneens aanleiding zijn om gegevens langer dan zeven jaar te bewaren.

Meer informatie

De advocaten van Pellicaan Advocaten adviseren u graag nader over de voor uw onderneming of organisatie relevante bewaartermijnen. U kunt onze gegevens vinden via www.pellicaan.nl.

NOTEN

[*] Voor de – niet veel voorkomende  – coöperatie waarvan de leden aansprakelijk zijn voor de schulden van de coöperatie, geldt in afwijking van de algemene regel een bewaartermijn van tien jaar voor de ledenadministratie.

[**] Op dit moment staat de informatie daarover op dit internetadres.

[***] De Wwft schrijft voor om gegevens inzake een cliëntenonderzoek en inzake de melding van ongebruikelijke transacties te bewaren.

Geplaatst in Bestuur en toezicht, Rechtspersonenrecht overig, Stichting | Tags: | Een reactie plaatsen

Digitalisering van het aandeelhoudersregister van de flex-bv en andere digitale juridische zaken

Naar aanleiding van een bericht van een digitale dienstenaanbieder heeft zich in de LinkedIn groep over de flex-bv een interessante discussie ontwikkeld over juridische digitalisering. Een goede bijdrage wordt geleverd door Henk-Jan de Boer, die onder meer opmerkt:

Het veiligheidsvraagstuk vind ik ook erg belangrijk. Daar moet niet te eenvoudig overheen gestapt worden met het argument dat het toegenomen gebruiksgemak zwaarder weegt. Zo heeft het notariaat zich eerder laten overhalen om digitaal te communiceren met het Kadaster onder gebruikmaking van digitale handtekeningen die waren afgegeven door een bedrijf dat vanwege zijn afkomst en naamgeving (DigiNotar) blijkbaar genoeg vertrouwen inboezemde om verder niet zoveel vragen te stellen naar de technische kant en met name de beveiliging. We weten allemaal hoe dat afgelopen is. (…)

Voor de duidelijkheid: ik ben een groot voorstander van het klantgericht ontwikkelen van nieuwe producten. Een innovatief notariaat dat daarmee inspeelt op daadwerkelijke behoeften van de maatschappij heeft wat mij betreft in de toekomst aanmerkelijk meer bestaansrecht, dan een notariaat dat zelfgenoegzaam achterover leunt met de gedachte dat de omzet wel beschermd wordt door het bestaan van wettelijke domeinmonopolies.

Desalniettemin maak ik me zorgen om digibete notarissen die dit soort initiatieven uit commerciële overwegingen al te gemakkelijk aanpakken voor hun klanten, terwijl zij vanwege desinteresse of onkunde niet genoeg stil staan bij de risico’s. De notaris heeft *niet* de controle over de opslag en beveiliging van de gegevens in dergelijke ‘digitale kluizen’. Als zo’n bedrijf gehackt wordt en de gegevens komen op straat te liggen, is het betreffende bedrijf wellicht al gauw niet meer aan te spreken wegens faillissement (zie wederom DigiNotar). Dan wendt de klant zich tot de notaris die hem die digitale kluis met veel bombarie verkocht heeft. Heeft de notaris dan wel voldoende gewaarschuwd voor de risico’s van het via internet (dus technisch per definitie kwetsbaar) bijeenbrengen van allerlei geheime/belangrijke documenten? Of was hij destijds al lang blij dat hij alweer een product verkocht kreeg?

Kijk hier voor de complete discussie.

Geplaatst in Rechtspersonenrecht overig | Tags: , , , | Een reactie plaatsen