Tobben met de opsporingstaak | Wwft in het notariaat | KNB

Veel ondernemingen laten regelgeving over zich heen komen. Zeker als het gaat om de privatisering van de criminaliteitsbestrijding is dat het geval.

Gelukkig durft de beroepsorganisatie van de notarissen, de KNB, wel kritisch te zijn, met het risico door politici en journalisten te worden afgeblaft.

“Notarissen hebben onvoldoende middelen om fraude te voorkomen”
In een recent nieuwsbericht, Juridische Poort: meer kennis over fraudeurs nodig, wordt door de KNB verslag gedaan van een bijeenkomst over fraude opsporing door notarissen, “Juridische Poort”.

De diplomatieke eerste zin van het bericht luidt: “Notarissen hebben onvoldoende middelen om fraude helemaal te voorkomen“. Het woordje “helemaal” kan wat mij betreft worden weg gelaten.

Uit het bericht blijkt dat de notarissen meer overheidsinformatie willen ontvangen over fraudeurs. De notarissen lijken nog steeds grote verwachtingen van het overheidsregister van aandeelhouders (“centraal aandeelhoudersregister” of CAHR) te hebben.

Mij lijkt dat het zinvol is om notarissen toegang te verschaffen tot persoonsgegevens van personen die verdacht of veroordeeld zijn. Eerder is al gebleken dat banken terrorismefinanciering makkelijker kunnen signaleren als zij weten welke personen verdacht worden van terrorisme. Dit is een grote inbreuk op de privacy maar wel de enige manier waarop het notariaat een bijdrage aan de criminaliteitsbestrijding kan leveren.

Openbaar Ministerie weet te weinig van de notariële praktijk
Een ander interessant artikel, ‘OM weet te weinig van notariële praktijk’, stond in Notariaat Magazine. Daarin wordt beschreven dat het Openbaar Ministerie in zaken tegen verdachte notarissen soms onzorgvuldig te werk gaat. Op de laatste pagina van het artikel doet de KNB een aantal aanbevelingen aan het OM:

  • Informeer de KNB tijdig over het voornemen een doorzoeking bij een verdachte notaris te verrichten.
  • Zorg er voor dat bij de medewerkers van het OM voldoende kennis aanwezig is over de notariële praktijk. Maak gebruik van de kennis van het KNB over de notariële praktijk om onnodige acties (met onnodige schade) te voorkomen.
  • Houdt er rekening mee dat maatregelen tegen een notaris het bancair verkeer kunnen verstoren en gevolgen kunnen hebben voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de notaris en zo onherstelbare schade kunnen toebrengen. Dit dient tot terughoudendheid te nopen.
  • Tijdelijke waarneming (als die waarnemer al is te vinden) van een afwezige notaris kan bij een klein kantoor tot hoge kosten leiden. Ook hier is terughoudendheid essentieel.

In verband hiermee zijn uiteraard ook andere maatregelen nodig, zoals een grotere groep waarnemers en voorzieningen bij bank en verzekeraar.

Het KNB geeft behartenswaardige adviezen die ook aanbevelenswaardig zijn bij optreden van het OM tegen beoefenaren van andere gereguleerde beroepen.

Advertenties
Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel langetermijnbetrokkenheid aandeelhouders beursvennootschappen ingediend

Op 17 oktober maakte het ministerie van veiligheid het persbericht “Aandeelhouders meer betrokken bij beursondernemingen” bekend, dat hier is gepubliceerd. De tekst luidt:

Aandeelhouders meer betrokken bij beursondernemingen
17 oktober 2018 – 16:36

Aandeelhouders krijgen meer invloed op de beloning van bestuurders en commissarissen van beursondernemingen. Daarnaast krijgen aandeelhouders meer inzicht in belangrijke transacties die een beursonderneming aangaat met aan haar gelieerde partijen, zoals bestuurders of grootaandeelhouders. Institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en levensverzekeraars, moeten een betrokkenheidsbeleid opstellen.

Dat is de kern van een wetsvoorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming en minister Hoekstra van Financiën dat vandaag is ingediend bij de Tweede Kamer. Met het wetsvoorstel wordt de Europese richtlijn tot bevordering van de lange termijn betrokkenheid van aandeelhouders omgezet in Nederlands recht. Deze richtlijn heeft tot doel de lange termijn betrokkenheid van aandeelhouders bij beursondernemingen te vergroten en de transparantie van institutionele beleggers en beursondernemingen te verbeteren.

Nieuw voor Nederland is de verplichting om iedere vier jaar het beloningsbeleid voor bestuurders en commissarissen opnieuw voor te leggen aan de aandeelhouders. Daarnaast moeten beursondernemingen jaarlijks een beloningsverslag voorleggen aan de aandeelhouders. In het beloningsverslag moeten beursondernemingen onder andere uitleggen hoe de ontwikkeling van de beloning van bestuurders en commissarissen zich verhoudt tot de beloning van de gemiddelde werknemer.

Nieuw is verder dat belangrijke transacties met partijen die aan de onderneming zijn verbonden moeten worden goedgekeurd door de raad van commissarissen en openbaar worden gemaakt. Om institutionele beleggers te stimuleren transparanter te zijn over hun beleggingsstrategie, moeten zij beleid ontwikkelen over hoe zij de betrokkenheid van aandeelhouders opnemen in hun beleggingsstrategie. Dit beleid moet openbaar worden gemaakt.

Bij het persbericht horen de volgende bijlagen:

 

De eerste reactie van Rients Abma:

Geplaatst in Bestuur en toezicht, Naamloze vennootschap, Rechtspersonenrecht overig | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bewaarplicht voor rechtspersonen

Betrokkenen bij Nederlandse rechtspersonen dienen rekening te houden met de regels voor het bewaren van gegevens. Er is alle aanleiding om weer eens op hoofdlijnen op een rijtje te zetten hoe het met de bewaarplicht voor rechtspersonen zit. In dit artikel wordt op die bewaarplicht  ingegaan.

Bestuurders van Nederlandse rechtspersonen, zoals de besloten vennootschap, de vereniging en de stichting [*], dienen allereerst rekening te houden met de bewaartermijnen die voor de rechtspersoon gelden.

1. Bewaarregels boek 2 Burgerlijk Wetboek
De belangrijkste algemene regels zijn in boek 2 Burgerlijk Wetboek (rechtspersonenrecht) te vinden:

  • Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
  • Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen.
  • Het bestuur is verplicht de hiervoor bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
  • Ook van een ontbonden rechtspersoon moeten de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers worden bewaard, nl. gedurende zeven jaren nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Bewaarder is degene die met inachtneming van de statuten van de rechtspersoon daartoe is aangewezen.Let op bij de eerste bullet: een administratie kan meer bevatten dan nodig is om de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon te kennen. De gegevens die daar niet voor nodig zijn kunnen eerder worden verwijderd. Sommige gegevens moeten zelfs eerder worden verwijderd, zie hierna over de verplichting tot verwijderen.

De gegevens mogen digitaal worden bewaard, met inachtneming van het navolgende:

  • De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

2. Fiscale bewaartermijnen
Een rechtspersoon heeft ook ten opzichte van de belastingdienst een bewaarplicht. De fiscus hanteert eveneens zeven jaar als uitgangspunt. Echter, in verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting btw voor onroerende zaken, zoals bedrijfspanden, moeten de gegevens van onroerende zaken tien jaar worden bewaard.

Het is aan te bevelen over de fiscale bewaartermijnen de laatste informatie op de site van de belastingdienst te raadplegen. Voorts dient u rekening te houden met de verwachtingen die de belastingdienst heeft aangaande de wijze waarop wordt bewaard. Daarover is op dezelfde site meer te vinden. Uw belastingadviseur kan u hierover nader inlichten.

Zie paragraaf 4. over fiscale bewaartermijnen inzake werknemersgegevens.

3. Andere redenen om gegevens te bewaren
Naast de hiervoor genoemde algemene regels op het gebied van het rechtspersonenrecht en het belastingrecht, kan er voor bepaalde rechtspersonen op grond van specifieke regelgeving of andere redenen ook een verplichting zijn om bepaalde gegevens te bewaren. Bovendien zijn er ook wettelijke voorschriften die een maximale bewaartermijn voorschrijven en verplichten tot weggooien, zie de volgende paragraaf.

Bij andere redenen om te bewaren valt te denken aan onder meer:

  • bijzondere wettelijke regels voor bepaalde ondernemingsbranches, zoals voor transporteurs, medische beroepsbeoefenaren, apothekers, notarissen, banken en verzekeringsmaatschappijen;
  • bijzondere wetgeving voor bepaalde groepen ondernemingen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) [**];
  • verplichtingen op grond van overeenkomsten of subsidievoorwaarden die voor de rechtspersoon gelden.

De aard van de activiteiten van de rechtspersoon en het risicoprofiel kunnen eveneens aanleiding zijn om gegevens langer dan zeven jaar te bewaren.

4. Verplichting om weg te gooien | AVG
Op grond van bepaalde regelgeving kan er een verplichting zijn om gegevens te verwijderen of te laten vernietigen. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) schrijft voor dat persoonsgegevens slechts zo lang mogen bewaard als strikt noodzakelijk. Een in dat verband vaak gehanteerde termijn is twee jaar, tenzij de persoonsgegevens op grond van een andere wet (zoals de fiscale wetgeving) langer moeten worden bewaard.

Soms is de verplichting om persoonsgegevens te verwijderen korter dan twee jaar: Voorbeeld:

  • Door sollicitanten verschafte gegevens mogen maximaal vier weken worden bewaard, tenzij er toestemming is verkregen, dan kan tot één jaar worden verlengd (is niet van toepassing als betrokkene in dienst wordt genomen).
  • Gegevens loonbeslag: moeten worden verwijderd als het beslag is opgeheven of geëindigd.

Bijzondere wetgeving kan er voor zorgen dat persoonsgegevens langer dan twee jaar moeten worden bewaard. Op grond van de AVG moeten die gegevens na afloop van die termijn worden verwijderd. Let er op dat sommige termijnen zijn gekoppeld aan het einde van een boekjaar (zoals de loonadministratie) en andere termijnen aan iets anders, zoals (bij werknemers) het einde van het dienstverband.

Bewaren van gegevens van werknemers
Onderstaand enige voorbeelden inzake werknemers:

  • Kopie identiteitsbewijs gemaakt voor de loonadministratie: moeten worden bewaard tot vijf jaar nadat de werknemer uit dienst is.
  • Loonbelastingverklaringen en formulieren met de gegevens voor de loonheffingen, zoals het ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen’, moeten gedurende vijf jaar nadat de werknemer uit dienst is worden bewaard. Hetzelfde geldt voor bepaalde kopieën van beschikkingen of verklaringen die van de werknemers zijn ontvangen.
  • Persoonsgegevens die in een loonadministratie behoren te worden opgenomen moeten gedurende zeven jaar na afloop van het belastingjaar worden bewaard op grond van de fiscale bewaarplicht.

Na afloop van voornoemde termijnen moeten de persoonsgegevens worden verwijderd.

Meer informatie
De advocaten van Pellicaan Advocaten adviseren u graag nader over de voor uw onderneming of organisatie relevante bewaartermijnen. U kunt onze gegevens vinden via www.pellicaan.nl.


Noten

[*] Voor de – niet veel voorkomende  – coöperatie waarvan de leden aansprakelijk zijn voor de schulden van de coöperatie, geldt in afwijking van de algemene regel een bewaartermijn van tien jaar voor de ledenadministratie.
[**] De Wwft schrijft voor om gegevens inzake een cliëntenonderzoek en inzake de melding van ongebruikelijke transacties te bewaren.


Dit artikel schreef ik voor de site van Pellicaan Advocaten en is een update van het artikel dat ik in 2013 publiceerde. Het artikel staat ook op mijn algemene blog.

Geplaatst in Coöperatie, Jaarstukken en financiële verantwoording, Rechtspersonenrecht overig | Tags: | Een reactie plaatsen

Digital tools for interaction between companies and their shareholders | minority shareholders | EU reports

In July 2018 two reports on European company law were published:

The reports are introduced as follows on publications.europa.eu:

Identification and assessment of legal and practical impediments for the use of digital tools for interaction between companies and their shareholders
The study analyses the current legal framework and practices in the European Union as regards the use of digital solutions in the interaction between companies and shareholders. It assesses legal and practical impediments to the use of digital solutions and any possible solutions. The use of digital solutions is in most cases either required or allowed by national laws. Most companies and shareholders use digital solutions, in particular for communicating resolutions adopted in general meetings and meeting notices. The most commonly used solutions are emails and corporate websites. Even if… they can require significant investment, digital solutions overall allow for faster, cheaper, more convenient, more effective and safer interactions. In-depth research on ten Member States demonstrated that the development of digital solutions more adapted to the users’ needs significantly facilitates their adoption even if the legal framework is not particularly favourable. Impediments to the use of digital solutions were identified: bias in favour of traditional solutions; ineffectiveness of the legal framework; additional burden for using digital solutions; blocking points along the chain of intermediaries; risks related to the chosen technology; and lack of harmonisation of legislation across Member States. Recommendations were also formulated to overcome these impediments.

Study on minority shareholders protection
The Study is designed to assist the European Commission DG Justice and Consumers in assessing the EU approach to and policy on minority shareholder protection. The Study includes a thorough analysis and assessment of every Member State’s legal framework as it relates to minority shareholder protection, and it focuses on all the main categories of minority shareholder rights, namely economic, control (decision making), information, litigation, and equal treatment rights. It strives to enable policymakers to obtain a clearer picture of Member States’ hard laws (such as laws, regulations, other… legal acts, and listing rules), soft laws (such as corporate governance codes) and established case law with respect to minority shareholder protection. It identifies any gaps, inconsistencies and incompatibilities in the legal frameworks of all the Member States, especially ones that may influence cross-border investment and the further development of the Single Market. It also provides input for the Commission’s ongoing work on monitoring corporate governance developments in the EU.

Both reports are written by the Directorate-General for Justice and Consumers (European Commission). The Directorate was assisted by companies from the private sector.

Interesting is that one of the companies was not a law firm, it was Big4 accountancy firm EY. The other company was TGS Baltic a law firm from Lithuania.

Geplaatst in Buitenland, English | posts in English on company law, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Een reactie plaatsen

CNUE conference on the European Company Law Package

In an article of 1 October 2018 the Council of the Notariats of the European Union (CNUE) informs the readers on a conference that has taken place on 25 September 2018:

Conference on the Company Law Package – Brussels, 25 September 2018
1 October 2018

At the invitation of the Council of the Notariats of the European Union (CNUE), several representatives of the European Commission, Parliament and the Council of the European Union met on 25 September to take stock of the ongoing negotiations on the company law legislative package. The package contains two proposals for directives: one to facilitate the use of digital tools for company registration and online management of company information, and the other to establish harmonised procedures for cross-border divisions and transfers and a targeted review for mergers.

Mr Marius Kohler, President of the CNUE, welcomed the participants and recalled the favourable reception given by the European notariat to the approach adopted to prevent any disruption in company law by allowing Member States to build upon existing and well-established systems of preventive control, thus enabling a smooth and effective transfer of company law in today’s digital age.

Moderated by Corrado Malberti, Italian notary and Chair of the CNUE’s Company Law working group, the discussions brought together Renate Nikolay, Head of Cabinet of Commissioner Vĕra Jourová, MEP Jytte Guteland (S&D, Sweden), and Matthias Potyka, representative of the Austrian EU Council Presidency.
The speakers highlighted the fruitful discussions within the institutions to move the negotiations forward. However, Matthias Potyka expressed his concerns about the possibility of finalising a text under the Austrian Presidency of the Council, in view of the difficulties encountered on the proposal for a Directive on cross-border divisions and transfers. For the Commission, as Renate Nikolay pointed out, the objective remains to have the two proposals for directives adopted together.

On the subject of digitalisation, the Commission elaborated on the involvement of notaries throughout the lifecycle of companies. This possibility will remain open and not only during the creation by the online procedure. As shadow rapporteur for the S&D group, Jytte Guteland said that there were concerns about opening the scope to legal persons, not just individuals. The benefit of opening this procedure to legal persons – who are generally part of a larger company already established – is less, in her view, and could, on the contrary, pave the way for an increase in fraud.

More information:

Geplaatst in English | posts in English on company law, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Grensoverschrijding, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

De niet geregistreerde rechtspersonen van het ministerie van financiën | Wtt 2018

Het is me al eerder opgevallen dat het ondernemingsrecht van het ministerie van financiën anders is dan het ondernemingsrecht dat de beoefenaren daarvan kennen.
Onlangs las ik de memorie van de toelichting bij het wetsvoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) door en kwam de volgende opmerkelijke tekst tegen:

Allereerst is in het wetsvoorstel een verplichting opgenomen om te controleren of ten aanzien van een doelvennootschap of ander relevant onderdeel van de groep waar de doelvennootschap toe behoort, is voldaan aan een plicht tot inschrijving in het Handelsregister of een daarmee vergelijkbaar buitenlands register. Deze plicht moet verhulling door gebruik van rechtspersonen of vennootschappen die onbekend zijn bij autoriteiten tegengaan. De controle levert het trustkantoor informatie op over het bestaan van een mogelijke plicht voor de betrokken rechtspersonen of vennootschappen tot inschrijving in een register en of aan deze plicht voldaan is. Het niet voldoen aan een inschrijvingsplicht kan naast het overtreden van de desbetreffende wettelijke plicht ook een indicatie zijn dat de dienstverlening integriteitrisico’s met zich brengt. Van het trustkantoor wordt verwacht dat deze geen diensten verleent voordat aan een inschrijvingsplicht is voldaan. In het dossier moet het trustkantoor een document hebben waaruit de inschrijving van de desbetreffende rechtspersonen of vennootschappen blijkt of dat is geconstateerd dat voor de desbetreffende rechtspersoon of vennootschap geen inschrijvingsplicht in het land van de zetel geldt. In het geval voor de rechtspersoon of juridische entiteit geen inschrijvingsplicht geldt, kan het in het bijzonder van belang zijn dat een trustkantoor achterhaalt wat het doel van de dienstverlening is en wat de reden is dat die rechtsfiguur in dat land wordt gebruikt. Het trustkantoor moet zich realiseren dat de gekozen rechtsfiguur niet bekend is bij de desbetreffende autoriteiten en dus verhullende doeleinden kan hebben.

Een hoogst merkwaardige passage, want hoe kun je als trustkantoor (die veelal statutair directeur is van rechtspersonen) een opdracht uitvoeren voor rechtspersonen, als je het bestaan daarvan niet kan verifiëren.

Voor een trustkantoor is de doelvennootschap (de door het trustkantoor bestuurde rechtspersoon) juridisch een opdrachtgeefster (van managementdiensten). Ook de aandeelhouders(s)-rechtspersoon/-personen van de doelvennootschap zijn civielrechtelijk opdrachtgevers. Als het trustkantoor een zakelijke relatie met doelvennootschap en aandeelhouder aangaat, is dat alleen mogelijk als het bestaan en de vertegenwoordiging geverifieerd kunnen worden. In de meeste Europese landen (misschien is dat in Engeland en [voormalige] kroonkoloniën anders) worden rechtspersonen door notarissen opgericht en in ingeschreven in handelsregisters.

Leeft het ministerie van financiën in een juridische schimmenwereld?

Het ministerie trok het been later bij, in de nota naar aanleiding van het verslag worden vragen over de ‘niet ingeschreven rechtspersonen’ als volgt beantwoord:

162–164
De leden van de SP-fractie lezen dat van trustkantoren wordt verwacht dat zij geen diensten verlenen aan bedrijven die niet zijn ingeschreven in het Handelsregister. Zij vragen de regering of er ook een verbod wordt voorgesteld op het verlenen van trustdiensten aan dergelijke bedrijven. Staan alle doelvennootschappen die door trustkantoren worden beheerd ingeschreven in het Handelsregister? Komen zij allemaal hun verplichtingen na? En wanneer dit niet zo is, wordt dan de relatie verbroken? Zo nee, waarom niet?

Zoals hierboven in antwoord op de vragen 155 tot en met 158 is aangegeven, mag een trustkantoor geen zakelijke relatie aangaan dan wel trustdiensten verlenen als de betrokken doelvennootschap of ander relevant onderdeel van de groep waartoe zij behoort, niet voldoet aan een plicht tot inschrijving in een handelsregister of vergelijkbaar register. Het is afhankelijk van de wetgeving in het land van de zetel van de doelvennootschap of het relevante onderdeel van de groep waartoe zij behoort, of inschrijving in een dergelijk register verplicht is. Voor de meeste doelvennootschappen met een zetel in Nederland zal een verplichting tot inschrijving in het handelsregister gelden. Het is onbekend of al deze vennootschappen op dit moment zijn ingeschreven. Het is nu nog geen verplichting voor trustkantoren om hier informatie over ter beschikking te hebben. Overigens bestaat de verwachting dat de inschrijving van de doelvennootschappen zelf, die in de regel een zetel in Nederland hebben, aan de inschrijvingsplichten voldoen. Het probleem speelt meer bij onderdelen van de groep die hun zetel in een ander land hebben. Als een trustkantoor constateert dat een doelvennootschap of een relevant onderdeel van de groep niet voldoet aan een inschrijvingsverplichting dan moet het trustkantoor de zakelijke relatie beëindigen.

Uit het antwoord blijkt dat het bestaan van het handelsregister bij het ministerie is doorgedrongen, al is de vraag waarom het ministerie schrijft: “Voor de meeste doelvennootschappen met een zetel in Nederland zal een verplichting tot inschrijving in het handelsregister gelden“. Waarom spreekt men over “de meeste“. Zijn er dan kapitaalvennootschappen met zetel in Nederland die niet ingeschreven zijn? Dat lijkt me onzin. Ik ben benieuwd of iemand mij over dit wel heel bijzondere fenomeen kan informeren.

Voorlopig ga ik er van uit dat juridische bijscholing van het ministerie gewenst is.

Meer informatie:

Dit artikel is ook verschijnen op de site van het Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wet centraal aandeelhoudersregister | aanvullende informatie

De KNB schrijft op 18 september het volgende over het voorstel:

Gewijzigd wetsvoorstel centraal aandeelhoudersregister ingediend
18-09-2018

Tweede Kamerleden Henk Nijboer (PvdA) en Mahir Alkaya (SP) hebben maandag een gewijzigd initiatiefwetsvoorstel centraal aandeelhoudersregister (CAHR) ingediend bij de Tweede Kamer. Het betreft een (beperkte) wijziging van het initiatiefwetsvoorstel CAHR dat begin 2017 bij de Kamer is ingediend door oud-Kamerleden Ed Groot (PvdA) en Sharon Gesthuizen (SP). Dit naar aanleiding van het advies hierover van de Raad van State.

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is verheugd over het initiatiefwetsvoorstel. De beroepsorganisatie heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk gepleit voor instelling van een CAHR en voor onderbrenging van dit register bij de KNB. Het CAHR geeft zicht op wie schuil gaan achter vennootschappen en levert hierdoor een waardevolle bijdrage aan voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen en aan rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Verder is de KNB blij met de rol die de notaris krijgt bij het CAHR. Dit komt de betrouwbaarheid en hiermee bruikbaarheid van het register ten goede.

Hoofdlijnen
Het CAHR verzamelt en ontsluit centraal, digitaal (elektronisch) en gestructureerd informatie over aandelen, aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders van bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s. De Belastingdienst en andere, aangewezen publieke diensten krijgen inzage in het CAHR ten behoeve van de uitvoering van hun wettelijke taken op het gebied van controle, toezicht, handhaving en opsporing. Notarissen krijgen toegang tot het register vanwege de uitvoering van hun wettelijke taken in het rechtsverkeer, waaronder hun poortwachtersrol en het bieden van rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Ook nader te bepalen Wwft-instellingen krijgen inzage voor de uitvoering van hun Wwft-verplichtingen tot cliëntenonderzoek. Deze informatie is nu niet centraal, digitaal (elektronisch) en gestructureerd beschikbaar voor deze partijen.

Bij de KNB
Het CAHR wordt ondergebracht bij de KNB en bevat – omwille van de betrouwbaarheid – uitsluitend informatie die (verplicht) door notarissen is ingeschreven en afkomstig is uit of betrekking heeft op notariële akten. Voor de inschrijving in het CAHR wordt aangesloten bij het bestaande proces van inschrijving van notariële akten in het door de KNB gehouden Centraal Digitaal Repertorium (CDR).

Toegevoegde waarde
Het CAHR heeft een belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van het UBO-register dat op grond van de zogenoemde vierde en vijfde Europese anti-witwasrichtlijn moet worden ingesteld. Deze toegevoegde waarde blijkt ook uit de reactie van de indieners op het advies van de afdeling advisering van de Raad van State. Het UBO-register ontsluit ook aandeelhoudersinformatie, maar beperkt. Zicht op (alleen) de UBO is onvoldoende om financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen effectief aan te pakken.

Vervolg
Het initiatiefwetsvoorstel wordt naar verwachting binnenkort in behandeling genomen door de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer. Daarna volgt plenaire Kamerbehandeling.

Advies Raad van State

De Raad van State adviseerde de indieners het (oorspronkelijke) voorstel te heroverwegen. De samenvatting van het advies van de Raad van State kan hier worden geraadpleegd en het complete advies en de reactie van de indieners is op deze pagina te vinden.

Uit de samenvatting door de Raad van State:

Het CAHR is een besloten register dat alleen raadpleegbaar is voor publieke diensten, zoals de belastingdienst en daarnaast voor notarissen en instellingen die op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme verplicht zijn tot cliëntenonderzoek. Het CAHR wordt ondergebracht bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.
Het is de bedoeling om met het CAHR zicht te krijgen op personen die schuil gaan achter bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s. Dit inzicht moet een bijdrage leveren aan zowel de voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van genoemde vennootschappen, als aan de rechtszekerheid in het rechtsverkeer.

Effectiviteit en toegevoegde waarde CAHR

Effectiviteit
De Afdeling advisering merkt in haar advies op dat het CAHR door zijn opzet slechts beperkt van betekenis zal zijn bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. De reikwijdte van het CAHR is beperkt, omdat alleen informatie wordt geregistreerd over de aandelen op naam waarbij de notaris via het opstellen van een notariële akte betrokken is. In gevallen waar geen verplichting tot notariële betrokkenheid geldt (zoals rechtshandelingen over aandelen aan toonder en de verhandeling van certificaten van aandelen) blijft informatie buiten het CAHR. Bovendien is het CAHR beperkt tot rechtspersonen naar Nederlands recht. Aangezien financieel-economische criminaliteit met rechtspersonen vaak grensoverschrijdend plaatsvindt, heeft het CAHR ook in dat opzicht een beperkte betekenis.

Toegevoegde waarde
Ter implementatie van EU-regelgeving is een register van uiteindelijk begunstigden (UBO-register) in voorbereiding. Daarin zullen uiteindelijk belanghebbenden van juridische entiteiten worden geregistreerd. Het UBO-register en het CAHR hebben dezelfde doelen (voorkomen en bestrijden van financieel-economische delicten door middel van rechtspersonen) en hebben bovendien inhoudelijk een belangrijke overlap. Het UBO-register is in bepaalde opzichten breder dan het CAHR: naast bv’s en nv’s bestrijkt het UBO-register ook stichtingen, verenigingen en personenvennootschappen. Bovendien bevat het UBO-register ook andere natuurlijke personen dan de aandeelhouder (natuurlijke personen die formele of feitelijke zeggenschap hebben over de entiteit).

De Afdeling advisering concludeert dat de toegevoegde waarde van het CAHR ten opzichte van het UBO-register beperkt is. Het is dan ook niet duidelijk in hoeverre de baten van de introductie van het CAHR opwegen tegen de (administratieve) lasten die gepaard gaan met het naast elkaar bestaan van twee vergelijkbare registers.

Het advies is dan ook om het wetsvoorstel te heroverwegen.

Reactie indieners wetsvoorstel
De indieners zijn het met het advies van de Raad van State niet eens en willen het voorstel doorzetten. Na een inleiding over misbruik van rechtspersonen volgt een uitwerking waarom het CAHR toch nuttig zou zijn.

Waarom de rechtszekerheid in het rechtsverkeer wordt gediend, leggen de indieners wat mij betreft onvoldoende uit. Die rechtszekerheid is gebaseerd op het notarieel leveren van aandelen, niet op het aandeelhoudersregister van de vennootschap. Een overheidsregister van aandeelhouders is geen oplossing voor een verdwenen vennootschappelijk register; een verwijzingsregister, waarin notarissen registreren welke akten zij voor bepaalde vennootschappen hebben gepasseerd, zou daar voldoende voor zijn.

Uit de toelichting van de indieners blijkt dat inzage wordt verschaft aan de overheid en het notariaat. Voorts krijgen Wwft-plichtigen toegang. Het gaat dan niet om alle Wwft-plichtigen. De indieners denken met name aan banken, advocaten en notarissen.

Onderstaand een passage uit de reactie van de indieners op het advies van de Raad van State:

(…) Daarnaast wordt de rechtszekerheid in het rechtsverkeer gediend door een deugdelijke registratie van het aandeelhouderschap van BV’s en niet-beursgenoteerde NV’s. De initiatiefnemers zullen in reactie op de opmerkingen van de Afdeling hier nader op ingaan. De initiatiefnemers zullen naar aanleiding van opmerkingen van de Afdeling tevens de toelichting bij dit wetsvoorstel op enkele punten aanvullen.

2a. De Afdeling wijst er op dat de registratie van aandelen en aandeelhouders beperkt blijft tot rechtshandelingen waarbij notariële betrokkenheid is vereist. Daarmee zou de reikwijdte van het CAHR beperkt worden omdat rechtshandelingen met betrekking tot aandelen aan toonder en de verhandeling van certificaten van aandelen die notariële betrokkenheid niet vereisen. De initiatiefnemers gaan hier graag als volgt op in. Bij certificering worden de aandelen veelal door een stichting administratiekantoor gehouden die daarvoor certificaten uitgeeft. Deze stichting is dus aandeelhouder, oefent het stemrecht op de aandelen uit en ontvangt het dividend dat op die aandelen wordt uitgekeerd. Het administratiekantoor moet echter het ontvangen dividend doorgeven aan de certificaathouders. Daarvoor is het nodig dat bij het administratiekantoor bekend is wie de desbetreffende certificaathouders zijn. Dergelijke informatie kan eventueel ook voor opsporingsdoeleinden worden aangewend. Zoals de minister van Veiligheid en Justitie het eerder stelde: “In dit kader heeft een verplichte notariële akte voor de overdracht van certificaten geen meerwaarde: zij is niet nodig voor het vaststellen van de eigendomsrelatie tussen het administratiekantoor als aandeelhouder en de vennootschap en evenmin voor de vaststelling naar wie eventueel te ontvangen dividend uiteindelijk gaat”. (zie noot 22) Een specifieke notariële betrokkenheid bij de verhandeling van certificaten is dus niet nodig. Daarbij komt dat weliswaar de certificaten niet in het CAHR worden opgenomen, maar dat de onderliggende aandelen op naam en de houders daarvan wel in het CAHR worden geregistreerd. In die zin draagt het CAHR dus bij aan het transparant maken van achterliggende structuren van aandeelhouders, ook indien die aandelen als gecertificeerde aandelen door een stichting administratiekantoor worden gehouden. (…)

Met de Afdeling zijn de initiatiefnemers van mening dat financieel-economische delicten door middel van rechtspersonen niet bij de grenzen van ons land ophouden. Derhalve is het van belang dat internationale constructies van rechtspersonen die zich schuldig maken aan dergelijke vormen van criminaliteit blootgelegd kunnen worden. Naar de mening van de initiatiefnemers kan het CAHR hierbij wel degelijk van belang zijn. Het CAHR legt immers de aandeelhouderslijn van de desbetreffende rechtspersonen in Nederland bloot. Mocht die tot een spoor leiden dat er op wijst dat er rechtspersonen buiten Nederland betrokken zijn bij zaken die het daglicht niet kunnen verdragen, dan kan dat spoor in dat andere land verder gevolgd worden. Daarbij komt dat een UBO-register, zo dat al verbonden zal gaan worden met UBO-registers uit andere lidstaten, beperkingen kent ten aanzien van het volgen van een keten van rechtspersonen. Immers in het UBO-register worden slechts aandeelhouders met een aandelenbelang van meer dan 25% die kwalificeren als UBO opgenomen. De initiatiefnemers zien niet in hoe een interconnectie van de verschillende nationale UBOregisters een sluitende inzage in grensoverschrijdende ketens van rechtspersonen kan geven.

Het UBO-register zal namelijk geen inzicht gaan bieden in tussenliggende aandeelhoudersrechtspersonen.

Dat wil zeggen aandeelhouders-rechtspersonen die tussen de directe aandeelhouders en de UBO van een besloten en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap zitten. Die worden niet in het UBO-register opgenomen, omdat in het UBO-register alleen natuurlijke personen die kwalificeren als UBO worden opgenomen. Dergelijke tussenliggende aandeelhouders-rechtspersonen alsmede overige indirecte aandeelhouders (waaronder UBO’s) van besloten en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen zijn echter op termijn wel uit het CAHR te halen. Ook aandelenstructuren (bijvoorbeeld een stapeling van (verschillende soorten) rechtspersonen) zijn op termijn uit het CAHR te halen. Op het punt van structuren waarbij sprake is van grensoverschrijdende financieel-economische fraude zijn het CAHR en het UBO-register aanvullend en beide van belang in het kader van de aanpak van deze criminaliteit.

De initiatiefnemers zouden zich willen aansluiten bij hetgeen de minister van Veiligheid en Justitie aan de Kamer heeft gemeld. Hij voerde eerder overleg met de beoogde gebruikers van het CAHR. Die gebruikers realiseerden zich dat een CAHR geen oplossing voor alle problemen kan zijn. Het inzetten van katvangers of het gebruik van buitenlandse rechtspersonen kan hiermee niet worden voorkomen. Daarmee is het CAHR weliswaar niet perfect, toch is het volgens die gebruikers van waarde omdat het mogelijk maakt “om bepaalde patronen te signaleren, zichtbaar te maken en risico’s te detecteren. Een centraal aandeelhoudersregister maakt het mogelijk om binnen de informatiebron slimme selecties te maken, zodat zoekresultaten gecombineerd kunnen worden met informatie die afkomstig is uit andere gegevensbronnen. Het digitaal ontsluiten van aandeelhoudersinformatie draagt bij aan het ontwikkelen van risicoprofielen op grond waarvan sneller, gerichter en daardoor beter toezicht kan plaatsvinden. Dit bespaart tijd en biedt meer armslag waar dat nodig is, zodat misbruik, fraude of belastingontduiking effectiever kunnen worden aangepakt”. (zie noot 24)

2b-c. De Afdeling merkt op dat het CAHR slechts op twee punten een aanvulling zou kunnen bieden op het UBO-register. Naar de mening van de initiatiefnemers is dit niet juist. Behalve op de twee door de Afdeling genoemde punten heeft het CAHR op meerdere punten een duidelijke meerwaarde ten opzichte van het UBO-register.

Zo zal het CAHR betrouwbaarder en beter verifieerbaarder zijn dan het UBO-register. Het UBO-register wordt gevuld met gegevens die zijn aangeleverd door de uiteindelijk belanghebbenden zelf. Het CAHR berust op notariële akten, hetgeen een grotere betrouwbaarheid verzekert van de geregistreerde informatie dan in het geval van aanlevering van informatie door de UBO’s zelf. Een kwaadwillende UBO zou in de verleiding kunnen komen om zijn UBO-schap juist niet te melden aan het UBO-register. Op die wijze bereikt het UBO-register anders dan het CAHR niet het gewenste doel.

Voorts zal het CAHR ten aanzien van het aandeelhouderschap een completer beeld bieden dan het UBO-register. Het CAHR gaat in tegenstelling tot het UBO-register immers wel informatie bevatten van alle aandeelhouders, ook die met een belang van 25% of minder.

Daarbij zullen in het CAHR naast aandeelhouders ook vruchtgebruikers en pandhouders worden opgenomen. Deze voordelen van het CAHR ten opzichte van het UBO-register achten de initiatiefnemers al meer dan relevant genoeg om een CAHR naast dat UBO-register te rechtvaardigen. Bovendien zal het CAHR op nog meer punten dan de Afdeling meent, het UBO-register aanvullen.

Het CAHR gaat relevante aanvullende informatie bieden waarmee het effectiever zal zijn dan het UBO-register als het gaat om het aanpakken van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. In tegenstelling tot het UBO-register zal op termijn het (directe) aandeelhouder van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap is.

Een (directe) aandeelhouder van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap is dus niet altijd tevens de/een UBO hiervan. Andersom geldt hetzelfde. Het UBO-register ontsluit dus weliswaar ook aandeelhoudersinformatie, maar beperkt.

Naast het voorkomen en bestrijden van financieel-economische criminaliteit, biedt het CAHR nog andere voordelen. De Afdeling lijkt daar ten onrechte aan voorbij te gaan. Zo dient het CAHR ook de rechtszekerheid in het rechtsverkeer door een einde te maken aan de huidige gebrekkige praktijk van de registratie van aandelen van besloten vennootschappen. In de huidige situatie kan de notaris die de opdracht krijgt om aandelen in een besloten vennootschap over te dragen, het Handelsregister van de Kamer van Koophandel raadplegen.

Daarin is vastgelegd wie de bestuurders van de vennootschap zijn, wat er in de statuten staat, hoe groot het geplaatste aandelenkapitaal is en wanneer de laatst vastgestelde jaarrekening is gedeponeerd. En dan moeten deze gegevens ook nog correct zijn, hetgeen niet altijd het geval is. Uitsluitend als een vennootschap slechts één aandeelhouder heeft, worden in het Handelsregister ook de gegevens van die aandeelhouder vermeld. Als er meerdere aandeelhouders zijn, moet de notaris dus te rade gaan bij de verkoper. Deze dient een aandeelhoudersregister te tonen, liefst ook een akte waaruit zijn eigendomsrecht blijkt. Dat register dient te worden gehouden door het bestuur van de vennootschap. Het bestuur heeft de wettelijke plicht om in dat register de namen en de adressen van alle houders van aandelen op naam op te nemen, met vermelding van ondermeer de datum waarop zij de aandelen hebben verkregen. In het tweede lid van artikel 2:85 BW lezen we: “Het register wordt regelmatig bijgehouden […]”. Maar in de praktijk komt het echter niet zelden voor dat dat register zoek is, of niet is bijgehouden, en dat ook de eigendomsakte verscholen of zelfs niet te vinden is. In veel gevallen weten aandeelhouders niet eens dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van het aandeelhoudersregister en verkeren zij in de veronderstelling dat dit door een derde instantie centraal wordt geregistreerd.

Nog hachelijker wordt de situatie als de notaris onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van een aandeelhouder moet uitvoeren in het geval van verpanding van aandelen of het vestigen van een vruchtgebruik daarop. Ook hierin schiet het aandeelhoudersregister van de vennootschap vaak tekort: hoewel daarin een pandrecht op aandelen dient te zijn ingeschreven gebeurt dit in de praktijk niet altijd. De notaris kan dan weliswaar bijvoorbeeld de bank waarbij de verkoper een rekeningnummer heeft raadplegen en vragen of die bank wellicht een pandrecht heeft op de aandelen, maar dit levert niet de benodigde zekerheid op. Er kan bijvoorbeeld altijd nog een andere bank zijn met een pandrecht.

De wettelijke verplichting tot het regelmatig bijhouden van een aandeelhoudersregister blijkt dus in de praktijk vaak niet of gebrekkig nageleefd te worden. Deze bestaande papieren registratie is vaak onvolledig, verouderd of zelfs verloren gegaan. Het aandeelhoudersregister biedt daardoor nu in veel gevallen een gebrekkig of geen inzicht in de aandeelhouders. Het biedt daarom in tegenstelling tot het CAHR geen zicht op wie aandeelhouders van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap zijn en welke aandelen in welke van die vennootschappen bepaalde personen hebben. Het CAHR biedt daarentegen wel op een gestructureerde en digitale wijze inzicht in de aandeelhouders en hun beschikkingsbevoegdheid.
Tenslotte is het CAHR ook relevant als het gaat om het heffen van overdrachtsbelasting bij de verkoop van onroerende zaken. Voor het heffen van die belasting is het uiteraard van belang om te weten wie de eigenaar van de onroerende zaak is. Dat kunnen ook vennootschappen zijn met bezittingen die uit onroerende zaken bestaan, de zogenaamde onroerende CAHR aandelenstructuren en indirecte aandeelhouders gaan blootleggen. Tussenliggende aandeelhouders-rechtspersonen (tussen een directe aandeelhouder en een UBO in) zijn op termijn wel uit het CAHR, maar niet uit het UBO-register te halen. Ook aandelenstructuren (bijvoorbeeld een stapeling van (verschillende soorten) rechtspersonen) zullen uit het CAHR te halen zijn. Van meet af aan worden immers aandelentransacties in het CAHR bijgehouden.

Daar waar het CAHR inzicht geeft in wie aandeelhouders van een besloten of nietbeursgenoteerde naamloze vennootschap zijn en welke aandelen (in welke besloten en nietbeursgenoteerde naamloze vennootschappen) bepaalde personen hebben, geeft het UBOregister dit inzicht niet of slechts beperkt. De uit het CAHR te halen aandelentransacties en directe aandeelhouders en de op termijn uit het CAHR te halen indirecte aandeelhouders en aandelenstructuren zijn van belang voor de rijksbelastingdienst, andere aangewezen publieke diensten, notarissen en aangewezen Wwft-instellingen ten behoeve van de uitvoering van hun wettelijke taken en verplichtingen Ook vallen, in tegenstelling tot waar de Afdeling vanuit gaat, aandeelhoudersinformatie en UBO-informatie niet altijd samen. De aandeelhouders en UBO’s kunnen samenvallen, maar dit is niet altijd het geval. Met name omdat in veel gevallen een rechtspersoon (holding) de (directe) aandeelhouder van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap is.
Een (directe) aandeelhouder van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap is dus niet altijd tevens de/een UBO hiervan. Andersom geldt hetzelfde. Het UBO-register ontsluit dus weliswaar ook aandeelhoudersinformatie, maar beperkt.

Naast het voorkomen en bestrijden van financieel-economische criminaliteit, biedt het CAHR nog andere voordelen. De Afdeling lijkt daar ten onrechte aan voorbij te gaan. Zo dient het CAHR ook de rechtszekerheid in het rechtsverkeer door een einde te maken aan de huidige gebrekkige praktijk van de registratie van aandelen van besloten vennootschappen. In de huidige situatie kan de notaris die de opdracht krijgt om aandelen in een besloten vennootschap over te dragen, het Handelsregister van de Kamer van Koophandel raadplegen.

Daarin is vastgelegd wie de bestuurders van de vennootschap zijn, wat er in de statuten staat, hoe groot het geplaatste aandelenkapitaal is en wanneer de laatst vastgestelde jaarrekening is gedeponeerd. En dan moeten deze gegevens ook nog correct zijn, hetgeen niet altijd het geval is. Uitsluitend als een vennootschap slechts één aandeelhouder heeft, worden in het Handelsregister ook de gegevens van die aandeelhouder vermeld. Als er meerdere aandeelhouders zijn, moet de notaris dus te rade gaan bij de verkoper. Deze dient een aandeelhoudersregister te tonen, liefst ook een akte waaruit zijn eigendomsrecht blijkt. Dat register dient te worden gehouden door het bestuur van de vennootschap. Het bestuur heeft de wettelijke plicht om in dat register de namen en de adressen van alle houders van aandelen op naam op te nemen, met vermelding van ondermeer de datum waarop zij de aandelen hebben verkregen. In het tweede lid van artikel 2:85 BW lezen we: “Het register wordt regelmatig bijgehouden […]”. Maar in de praktijk komt het echter niet zelden voor dat dat register zoek is, of niet is bijgehouden, en dat ook de eigendomsakte verscholen of zelfs niet te vinden is. In veel gevallen weten aandeelhouders niet eens dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van het aandeelhoudersregister en verkeren zij in de veronderstelling dat dit door een derde instantie centraal wordt geregistreerd.

Nog hachelijker wordt de situatie als de notaris onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van een aandeelhouder moet uitvoeren in het geval van verpanding van aandelen of het vestigen van een vruchtgebruik daarop. Ook hierin schiet het aandeelhoudersregister van de vennootschap vaak tekort: hoewel daarin een pandrecht op aandelen dient te zijn ingeschreven gebeurt dit in de praktijk niet altijd. De notaris kan dan weliswaar bijvoorbeeld de bank waarbij de verkoper een rekeningnummer heeft raadplegen en vragen of die bank wellicht een pandrecht heeft op de aandelen, maar dit levert niet de benodigde zekerheid op. Er kan bijvoorbeeld altijd nog een andere bank zijn met een pandrecht.
De wettelijke verplichting tot het regelmatig bijhouden van een aandeelhoudersregister blijkt dus in de praktijk vaak niet of gebrekkig nageleefd te worden. Deze bestaande papieren registratie is vaak onvolledig, verouderd of zelfs verloren gegaan. Het aandeelhoudersregister biedt daardoor nu in veel gevallen een gebrekkig of geen inzicht in de aandeelhouders. Het biedt daarom in tegenstelling tot het CAHR geen zicht op wie aandeelhouders van een besloten of niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap zijn en welke aandelen in welke van die vennootschappen bepaalde personen hebben. Het CAHR biedt daarentegen wel op een gestructureerde en digitale wijze inzicht in de aandeelhouders en hun beschikkingsbevoegdheid.

Tenslotte is het CAHR ook relevant als het gaat om het heffen van overdrachtsbelasting bij de verkoop van onroerende zaken. Voor het heffen van die belasting is het uiteraard van belang om te weten wie de eigenaar van de onroerende zaak is. Dat kunnen ook vennootschappen zijn met bezittingen die uit onroerende zaken bestaan, de zogenaamde onroerende zaaklichamen (OZL). Bij verkrijging van tenminste 1/3 van het kapitaal van een OZL is overdrachtsbelasting verschuldigd. Door kunstmatig of ogenschijnlijk de aankoop door méér dan drie verkrijgers te laten plaatsvinden (mogelijk besloten vennootschappen die onzichtbaar met elkaar verweven zijn), kan overdrachtsbelasting worden ontweken. Het is daarom voor het vaststellen van de belastingplicht van belang te weten welke minderheidsbelangen worden gehouden door een persoon of rechtspersoon. Ook hier is het CAHR dus van belang.

Door het CAHR wordt centraal, digitaal en gestructureerd betrouwbare informatie over aandelen en aandeelhouders verzameld en ontsloten die nu niet centraal, digitaal en gestructureerd beschikbaar is voor de hiervoor genoemde partijen en die veelal ook niet in het UBO-register wordt geregistreerd. Gezien het bovenstaande concluderen de initiatiefnemers dat het CAHR een belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van het UBO-register heeft.

3. De Afdeling merkt op dat op het niveau van de wet op hoofdlijnen een afbakening dient te worden gegeven van de Wwft-instellingen die inzage krijgen in het CAHR. De initiatiefnemers kunnen zich vinden in dit advies. Naar de mening van de initiatiefnemers kunnen mede met het oog op de privacy van de betrokken aandeelhouders, slechts wettelijk gereguleerde Wwft-instellingen worden aangewezen die onder een vorm van overheidstoezicht staan en/of aan tuchtrecht zijn onderworpen en objectief een redelijk belang hebben bij inzage in het centraal aandeelhoudersregister. Hierbij kan met name worden gedacht aan de instellingen, bedoeld in artikel 1a, tweede lid (banken), vierde lid, onderdeel c (advocaten), en vierde lid, onderdeel d (notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaatnotarissen), van de Wwft. De initiatiefnemers zullen de memorie van toelichting op dit punt aanvullen.

4. De initiatiefnemers kunnen zich vinden in deze redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling voor zover het betreft het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 7b, achtste lid. Hiertoe zal de tekst van het betreffende artikel via het uitbrengen van een “Voorstel van wet zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State” worden aangepast. De initiatiefnemers menen echter dat het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 7b, zevende lid, complementair is aan artikel 10 van de Registratiewet 1970 en derhalve dient te worden gehandhaafd. In artikel 10 van de Registratiewet 1970 is bepaald dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Registratiewet 1970 over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van enige wet. De initiatiefnemers menen dat hetgeen de partijen, bedoeld in het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 7b, derde lid, onderdelen a, b, c en d, uit de inzage, bedoeld in het derde lid van dit artikel, en de verstrekking, bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, blijkt, niet blijkt uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Registratiewet 1970.

De raadpleging van het CAHR is volgens de initiatiefnemers geen werkzaamheid bij de uitvoering van de Registratiewet 1970 als bedoeld in artikel 10, eerste zinsdeel, van de Registratiewet 1970, maar een werkzaamheid bij de uitvoering van een of meer andere wetten. In het verlengde hiervan menen de initiatiefnemers dat bekendmaking na raadpleging van het CAHR niet wordt begrensd door hetgeen is bepaald in artikel 10, tweede zinsdeel, van de Registratiewet 1970, nu de bekendmaking als hierin bedoeld ziet op hetgeen uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Registratiewet 1970 blijkt of wordt medegedeeld. Gelet op het voorgaande, menen de initiatiefnemers dat een aanvullende geheimhoudingsbepaling als opgenomen in het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 7b, zevende lid, noodzakelijk is, waarbij de initiatiefnemers menen dat bekendmaking na raadpleging van het CAHR niet verder mag gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken en verplichtingen, bedoeld in het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 7b, derde lid, onderdelen a, b, c en d.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk) | Tags: , | Een reactie plaatsen

Jaarrekeningplicht stichting nieuw leven ingeblazen

Begin september is een motie van kamerleden Omtzigt en Lodders aangenomen, waarin zie de regering verzoeken om bepaalde stichtingen onder de jaarrekeningplicht te brengen.

Tekst van de motie:

constaterende dat stichtingen veelal niet verplicht zijn om een jaarrekening te deponeren en gebruikt kunnen worden voor belastingontwijkingsconstructies;
verzoekt de regering, binnen acht maanden een voorstel te doen voor een verplichting voor bepaalde stichtingen om een jaarrekening te deponeren en in ieder geval te kijken:
– of de stichting een onderneming drijft
– of de winst dan wel de omzet boven een te bepalen grens uitkomt,

Hoe zich dit verhoudt tot de bestaande praktijk dat stichtingen hun onderneming in het handelsregister moet inschrijven en dat de belastingdienst al informatie bij stichtingen over hun belastingplicht opvraagt, wordt uit de tekst van de motie niet duidelijk.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Jaarstukken en financiële verantwoording, Stichting | Een reactie plaatsen

Gewijzigd initiatiefwetsvoorstel centraal aandeelhoudersregister bekend gemaakt

Sinds januari 2017 lag het initiatiefwetsvoorstel centraal aandeelhoudersregister stil. Begin september 2018 is daar weer beweging ingekomen doordat kamerleden Nijboer en Alkaya de tweede kamer hebben meegedeeld dat zij de verdediging van het voorstel hebben overgenomen.

Op 17 september jl. zijn het gewijzigde voorstel en de gewijzigde memorie van toelichting door voormelde twee kamerleden bij de Tweede Kamer ingediend.

Meer informatie:

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Een reactie plaatsen

EESC en het Europese ondernemingsrecht

Het European Economic and Social Committee (EESC) hield op 10 september een Public Hearing on European Company Law Package. Op hun site is een rubriek company law te vinden met informatie over Europese ondernemingsrechtelijke onderwerpen.

Geplaatst in Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: | Een reactie plaatsen