Ministerraad stemt in met taak curator bij fraudesignalering

Uit een bericht op de site van KNB blijkt dat de ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel om curatoren een belangrijke rol bij fraudesignalering te geven:

Ministerraad stemt in met taak curator bij fraudesignalering

24 maart 2015

De ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel om curatoren een belangrijke rol bij fraudesignalering te geven. Curatoren die in faillissementen mogelijke onregelmatigheden vaststellen, moeten die straks verplicht melden bij de rechter-commissaris. Vervolgens kan er melding of aangifte van de fraude volgen. Het wetsvoorstel wordt nu voor advies aan de Raad van State gestuurd.

In de praktijk stuit een faillissementscurator vaak als eerste op gaten in de administratie of het ontbreken van goederen uit de boedel. Door hem meer ruimte te geven om in die gevallen actie te ondernemen, verwacht de ministerraad dat de aanpak van faillissementsfraude effectiever wordt. De curator moet straks worden ingelicht over bijvoorbeeld buitenlandse vermogensbestanddelen, zoals banktegoeden en onroerend goed. Hij kan dan – bij verzaking van de informatie- en medewerkingsverplichtingen – een bestuursverbod eisen.

Goede afstemming
De regeling vloeit voort uit het wetgevingsprogramma herijking van het faillissementsrecht, waarvan verbetering van de bestrijding van faillissementsfraude een van de pijlers is. De twee andere pijlers van dit wetgevingsprogramma zijn het civielrechtelijk bestuursverbod en de herziening van het strafrechtelijk faillissementsrecht. Voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB pleit daarom voor een goede afstemming van de verschillende wetten die op stapel staan om fraude en andere onregelmatigheden bij rechtspersonen aan te pakken.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Bestuursverbod | Tags: , | Een reactie plaatsen

De bedrogen directeur van Palm Invest

Op 25 februari jl. deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een strafzaak tegen de statutair directeur van Palm Invest. De uitspraak is belangrijk, omdat daar in de vraag aan de orde komt of een directeur strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn, als hij heeft nagelaten om zich voldoende kritisch op te stellen ten opzichte van twee feitelijk leidinggevenden, die vanaf het begin van plan waren beleggingsfraude te plegen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de directeur strafrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld en spreekt hem vrij.

Interessant zijn de overwegingen van de rechtbank:

4.5. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

Hoewel is gebleken dat verdachte zijn functie als statutair directeur lichtvaardig heeft aanvaard en nooit uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke verplichtingen die daaruit voortvloeiden, kan niet worden bewezen dat verdachte al vanaf zijn eerste bemoeienis met Palm Invest op de hoogte was dat de vennootschap enkel was opgericht met het doel om beleggers op te lichten.

Uit de omstandigheden dat verdachte niet heeft gecontroleerd of het belegde geld daadwerkelijk werd geïnvesteerd in Dubai, of er wel 20% eigen vermogen door Palm Invest werd ingebracht en of de Stichting Garantie Gelden Palm Invest wel zekerheden op dat vastgoed kreeg, kan niet zonder meer worden opgemaakt dat verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er sprake was van oplichting. Verdachte dacht immers dat dit buiten zijn takenpakket lag en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hiervoor verantwoordelijk waren. Verdachte heeft ook mogen begrijpen dat deze taken buiten zijn takenpakket lagen, zo blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en andere medewerkers van Palm Invest. Van meet af aan waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] degenen die bepaalden wat er binnen Palm Invest gebeurde en hield [verdachte] zich alleen bezig met de (leiding van de) verkoop van het product. Dat dit anders zou zijn besproken tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt niet uit het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank moet vervolgens worden bezien of van verdachte meer mocht worden gevergd toen er aanwijzingen van buitenaf kwamen dat wellicht van oplichting sprake was.

Volgens zijn eigen verklaring heeft verdachte in juli/augustus 2007 voor het eerst kennis genomen van het omvallen van de vergelijkbare beleggingsfondsen Golden Sun en Royal Dubai. Naar aanleiding van de informatie die daarover in de media verscheen, gaf ook een aantal (potentiële) beleggers in Palm Invest blijk van onrust. Verdachte heeft dit nieuws volgens zijn eigen verklaring serieus genomen en heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om meer informatie gevraagd. Ook op dat moment heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als statutair directeur echter niet genomen. Verdachte had op dat moment moeten onderzoeken of er wel degelijk geld door Palm Invest werd belegd in Dubai en of de overige beloften, te weten de inleg van 20% eigen vermogen en het vestigingen van zekerheden op het vastgoed ten behoeve van de Stichting Garantie Gelden Palm Invest, werden nagekomen. Uit de verklaring van verdachte en de rest van het dossier blijkt dat verdachte ook in die tijd geen besef had van de verplichtingen die aan zijn statutaire functie waren verbonden. Verdachte was voor zijn gevoel én in de praktijk slechts op papier directeur en was slechts verantwoordelijk voor de verkoop van obligaties en het af en toe tekenen van documenten die aan hem werden voorgelegd, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de daadwerkelijke leidinggevenden waren binnen Palm Invest.

Daarmee staat dus vast dat verdachte, hoewel daartoe alle aanleiding bestond en hoewel dit vanuit zijn functie als statutair directeur wel mocht worden verwacht, geen controle heeft uitgeoefend op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hetgeen zij met de beleggingsgelden deden, terwijl evenzeer vast staat dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verdachte en de overige medewerkers van Palm Invest in Nederland niet inlichtten wat er in Dubai met het belegde geld werd gedaan. Daardoor hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de situatie gecreëerd waarbij in Nederland te goeder trouw obligaties werden verkocht, terwijl zij de volledige beschikkingsmacht hadden over het binnengekomen geld en deze gelden buiten de beschikkingsmacht van Palm Invest brachten.

Dit is echter onvoldoende om verdachte als feitelijk leidinggever ten aanzien van de gepleegde strafbare feiten aan te merken, nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er strafbare feiten werden gepleegd. Het is niet aannemelijk dat verdachte, ook als hij de juiste vragen had gesteld aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], meer te weten was gekomen over de daadwerkelijke besteding van het ingelegde geld. Uit het dossier blijkt immers dat de opvolger van verdachte, [medeverdachte 3], die wel is aangesteld om daadwerkelijk als bestuurder op te treden, en die na zijn aanstelling – anders dan verdachte – wel de juiste vragen heeft gesteld, door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eveneens om de tuin is geleid. Ook hij was op het moment van de inval op 21 januari 2008, mede als gevolg van bewuste onjuiste voorlichting door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], nog niet tot de conclusie gekomen dat het ingelegde geld slechts in zeer beperkte mate was gebruikt voor de aankoop van vastgoed en dat er sprake was van strafbare feiten.

Ook de omstandigheid dat verdachte gedurende de gehele periode dat hij statutair directeur was niet zelf heeft gecontroleerd of er daadwerkelijk zekerheden op vastgoed werden gesteld ten behoeve van de Stichting Garantie Gelden Palm Invest en of er 20% eigen vermogen werd geïnvesteerd, is gelet op de beperkte taakopvatting van verdachte onvoldoende om hem strafrechtelijk aansprakelijk te achten voor de ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt niet dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft gemerkt dat er geen activiteit was binnen de Stichting. Die conclusie kan ook niet worden getrokken op grond van de omstandigheid dat verdachte de bestuurder van de Stichting, [persoon 2], nauwelijks zag, terwijl deze een groot aantal documenten zou moeten hebben getekend. Uit het dossier blijkt immers dat de Stichting op een ander adres was gevestigd dan Palm Invest. Het voorgaande betekent dat ook dat de enkele verklaring van getuige [getuige 2] onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er strafbare feiten werden gepleegd door Palm Invest. Ook het feit dat verdachte wist dat [medeverdachte 1] op enig moment voorafgaand aan Palm Invest failliet was gegaan, is hiervoor onvoldoende, nu dit faillissement al dateerde van enkele jaren voor de start van Palm Invest en [medeverdachte 1], gezien zijn levensstijl, ook voorafgaand aan de start van Palm Invest, al leek te beschikken over een aanzienlijk vermogen. Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte, zoals [getuige 1] heeft verklaard, namens de Stichting telefoongesprekken met beleggers heeft gevoerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – het onder 1, primair en subsidiair, 2 en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen nu niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de gepleegde strafbare feiten. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Datzelfde geldt voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde witwassen van de door verdachte ontvangen commissie. Ten aanzien van dat feit geldt bovendien dat die commissie van verdachte contractueel was vastgelegd en geen ongebruikelijke beloning was, zodat verdachte dat geld – ook al gebeurde dat in Dubai – in zijn ogen rechtsgeldig ontving. Ook van dat feit dient verdachte dus te worden vrijgesproken.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, wijst de rechtbank de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging, om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nogmaals als getuige te horen en aanvullende stukken aan het dossier toe te laten voegen, af. Immers is niet voldaan aan de voorwaarden waaronder die verzoeken zijn gedaan.

Meer informatie

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Bestuurdersaansprakelijkheid | Een reactie plaatsen

Reactie Nederlandse Vereniging van Banken inzake overheidsregister van aandeelhouders

In een reactie van 5 maart 2015 laat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) weten het van belang te achten dat zowel het Nederlandse overheidsregister van aandeelhouders als het ubo-register dat op grond van Europese regels verplicht wordt, ruim toegankelijk zal worden. NVB reageert in een consultatie over wijziging van de handelsregisterwetgeving die ik al eerder op dit weblog aankondigde.

De NVB meent dat de ubo’s voldoende beschermd zijn als wettelijk wordt vastgelegd dat degenen die toegang verkrijgen verplicht zijn tot geheimhouding. Mij lijkt dat niet voldoende. Zie hierover ook de brief die door Mazars/Pellicaan aan politiek Den Haag is gestuurd.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk) | Tags: | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel verhoogt grensbedragen jaarrekeningenrecht

Vorige week is een wetsvoorstel ingediend dat tot doel heeft uitvoering te geven aan Europese regelgeving inzake de jaarrekening en waarin ook een aantal andere onderwerpen die relevant zijn voor de praktijk van het rechtspersonenrecht worden gewijzigd.
Ook notarissen, advocaten en andere juridisch adviseurs zullen rekening moeten houden met het nieuwe recht.

Wijzigingen zijn onder meer:

  • De term ‘jaarverslag’ wordt gewijzigd in ‘bestuursverslag’ wat de helderheid ten goede komt.
  • Grensbedragen voor kleine en middelgrote rechtspersonen gaan omhoog.
  • De openbaarmakingstermijn wordt verkort naar twaalf maanden.
  • Er wordt een voorstel voor micro-entiteiten gedaan in artikel 2:395a nieuw.
  • Goodwill direct ten laste van resultaat of eigen vermogen afboeken niet meer toegestaan.
  • Er worden nieuwe jaarrekeningtechnische voorschriften geïntroduceerd die vooral voor grote ondernemingen van belang zijn.

Inleiding

In de inleiding van de memorie van toelichting staat:

Dit voorstel strekt tot uitvoering van richtlijn 2013/34/EU betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen (PbEU 2013, L 182) (hierna: richtlijn jaarrekening). [1] De richtlijn jaarrekening beoogt het jaarrekeningenrecht te moderniseren, te vereenvoudigen, verder te harmoniseren en de administratieve lasten te verlichten. Daarnaast bevat de richtlijn jaarrekening een nieuwe regeling voor de verslaglegging van betalingen aan overheden door ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie en houtkap van oerbossen.

De richtlijn jaarrekening vervangt de vierde richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EG) (PbEEG 1978, L 222) (hierna: vierde richtlijn) en de zevende richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (83/349/EEG) (PbEEG 1983, L 193) (hierna: zevende richtlijn). Deze richtlijnen zijn omgezet in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), het Besluit actuele waarde (Stb. 2005, 321) en het Besluit modellen jaarrekening (Stb. 1983, 666). De richtlijn jaarrekening leidt tot wijziging van deze regelingen.

De richtlijn jaarrekening maakt deel uit van het beleid van de Europese Commissie om de regelgeving voor het midden- en klein bedrijf te vereenvoudigen en de toegang tot financiering voor deze ondernemingen te verbeteren, zoals onder meer uiteengezet in de Europa 2020-strategie (http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm), de Akte voor de interne markt (COM (2011) 206, zie afdeling 2.11 van de Akte) en de Small Business Act (COM (2008) 394). De richtlijn jaarrekening incorporeert tevens richtlijn 2012/6/EU betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft (PbEU 2012, L 81), op basis waarvan lidstaten een verlicht regime voor micro-ondernemingen kunnen vormgeven ter vermindering van de administratieve lasten voor deze ondernemingen. Het optionele regime voor micro-ondernemingen wordt toegelicht in paragraaf 2.9.

Voor niet-beursgenoteerde bedrijven zijn naast de voorschriften uit de richtlijn jaarrekening ook van belang de International Financial Reporting Standards for Small and Medium-sized entities (IFRS for SMEs) (vgl. COM(2011) 684, p. 8). IFRS for SMEs is een internationale verslaggevingsstandaard voor jaarrekeningen van MKB-bedrijven. Deze standaard is ontwikkeld door de International Accounting Standards Board (IASB). IFRS for SMEs is bedoeld voor ondernemingen die geen publieke verantwoording behoeven af te leggen, dus niet voor beursvennootschappen en banken. Gebruik van deze standaard kan bijvoorbeeld voordelen opleveren wanneer een onderneming internationale stakeholders heeft.

IFRS for SMEs kunnen door Nederlandse rechtspersonen worden toegepast, zolang toepassing van deze standaard geen strijd oplevert met de bepalingen ter uitwerking van de richtlijn jaarrekening in titel 9 van Boek 2 BW. De richtlijn jaarrekening en IFRS for SMEs lopen uiteen wat betreft de presentatie van geplaatst, niet gestort kapitaal. Dit kapitaal dient onder IFRS for SMEs te worden afgetrokken van het eigen vermogen. Onder de richtlijn jaarrekening wordt dit kapitaal als een actief gepresenteerd. Met betrekking tot de afschrijvingstermijn van goodwill wordt opgemerkt dat op basis van IFRS for SMEs hiervoor een afschrijvingstermijn van tien jaar geldt. De richtlijn jaarrekening schrijft voor dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer de gebruiksduur niet met zekerheid kan worden geraamd, de goodwill moet worden afgeschreven binnen een maximumperiode die door de lidstaten moet worden vastgesteld op ten minste vijf en ten hoogste tien jaar (artikel 12, elfde lid). Door voor een maximumperiode van tien jaar te kiezen, is er geen strijdigheid met IFRS for SMEs op dit punt. Zie de toelichting in paragraaf 2.3.

Op grond van de vierde en zevende richtlijn waren de lidstaten niet verplicht een jaarrekeningregime met vrijstellingen voor kleine rechtspersonen in te voeren. Ook konden lidstaten zelf bepalen welke grensbedragen zij hanteerden voor de categorie kleine rechtspersonen: zij konden lagere grensbedragen gebruiken dan de maximum-grensbedragen die in de vierde richtlijn waren gegeven. Dit is gewijzigd in de richtlijn jaarrekening. Lidstaten moeten een categorie kleine rechtspersonen invoeren waaraan zij geen andere informatie mogen voorschrijven dan volgt uit de richtlijn jaarrekening. De jaarrekening moet beperkt zijn tot de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichting op de jaarrekening (artikel 4, eerste en vijfde lid). Verder is de toelichting op de jaarrekening beperkt tot een maximum aantal onderwerpen (artikel 16, derde lid). Het doel van deze wijzigingen is om de voorschriften voor kleine rechtspersonen in de EU grotendeels uniform te laten zijn en om onevenredige administratieve lasten voor deze groep te vermijden (overweging 10). Er blijven enkele lidstaatopties over. De mogelijkheid om kleine ondernemingen een verkorte balans en winst- en verliesrekening te laten opstellen, blijft een lidstaatoptie (artikel 14). Dat geldt ook voor het vrijstellen van kleine rechtspersonen van de verplichting tot het opstellen van een jaarverslag (artikel 19) en de mogelijkheid om de publicatieplicht te beperken tot de verkorte balans (artikel 31). De accountantscontrole van de jaarrekening van kleine rechtspersonen is buiten het toepassingsbereik van de richtlijn jaarrekening geplaatst. Dit betekent dat lidstaten zelf moeten bepalen of ze voor deze categorie rechtspersonen accountantscontrole willen voorschrijven (overweging 43 en artikel 34).

Een geheel nieuw onderwerp dat de richtlijn jaarrekening in hoofdstuk 10 introduceert, is de verplichting voor ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie of de houtkap van oerbossen om te rapporteren over betalingen die zij doen aan de overheden van de landen waar zij actief zijn (country-by-country reporting). Het doel van deze regeling is om de verantwoordelijkheid en het goede bestuur van deze overheden te bevorderen. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.10.

Als uitgangspunt bij de uitvoering van de richtlijn jaarrekening is ervoor gekozen om alleen waar de richtlijn jaarrekening inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de vierde en zevende richtlijn behelst, de Nederlands wetgeving aan te passen. Zo wordt de wijze waarop gebruik is gemaakt van lidstaatopties in stand gehouden. Verder wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om bepaalde informatie die nu onder de overige gegevens van artikel 2:392 BW aan de jaarrekening dient te worden toegevoegd, te verplaatsen naar de toelichting op de jaarrekening.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de richtlijnen betreffende de jaarrekening van banken en verzekeraars niet zijn gewijzigd. Dit betreft richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PbEEG 1986, L 372) en richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PbEEG 1991, L 374). Zij gelden als lex specialis ten opzichte van de richtlijn jaarrekening. Verwijzingen in die richtlijnen naar artikelen in de vierde en zevende richtlijn moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen in de richtlijn jaarrekening die de ingetrokken artikelen vervangen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de concordantietabel in bijlage VII van de richtlijn jaarrekening.

Noot [1] Het wetsvoorstel strekt tot uitvoering van richtlijn 2013/34/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182). Uiterste implementatiedatum van de richtlijn is 20 juli 2015. Voor verdere implementatieaspecten zij verwezen naar de transponeringstabel aan het slot van deze memorie van toelichting.

Openbaarmaking

Over de openbaarmakingsverplichting staat in de memorie van toelichting:

2.7 Openbaarmaking
Hoofdstuk 7 van de richtlijn jaarrekening (artikelen 30–33) betreft de openbaarmaking van de jaarrekening. Deze dient ook onder de richtlijn jaarrekening openbaar te worden gemaakt via het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel. Wel dient de termijn voor openbaarmaking te worden gewijzigd: deze mag maximaal twaalf maanden bedragen (artikel 30 van de richtlijn jaarrekening). De vierde en zevende richtlijn lieten het bepalen van de openbaarmakingstermijn over aan de lidstaten. In Nederland wordt thans uitgegaan van openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling van de jaarrekening (artikel 2:394 lid 1 BW). De jaarrekening moet uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar openbaar worden gemaakt (artikel 2:394 lid 3 BW). De artikelen 58, 101, 210, 300 en 394 worden in overeenstemming gebracht met de nieuwe uiterste publicatietermijn in de richtlijn jaarrekening. (…)

Onderdeel V (artikel 394)
Artikel 394 gaat over de publicatie van de jaarrekening. De vierde en zevende richtlijn bevatten geen maximale termijn voor de openbaarmaking van de jaarrekening. In Nederland geldt thans op basis van het derde lid van artikel 394 een uiterste publicatietermijn van dertien maanden na afloop van het boekjaar. Op basis van artikel 30 van de richtlijn jaarrekening dient de jaarrekening binnen een redelijke termijn van niet meer dan twaalf maanden na balansdatum openbaar te worden gemaakt. De nieuwe voorgeschreven publicatietermijn heeft tot gevolg dat de uiterste publicatietermijn in het derde lid van artikel 394 van dertien maanden wordt verkort tot twaalf maanden.

Het tweede lid van artikel 394 schrijft voor dat de opgemaakte jaarrekening openbaar moet worden gemaakt indien de jaarrekening niet binnen twee maanden na de termijn voor het opmaken van de jaarrekening is vastgesteld. De termijn voor het opmaken van de jaarrekening is voor NV’s en BV’s vijf maanden na afloop van het boekjaar. Deze termijn kan door de algemene vergadering wegens bijzondere omstandigheden worden verlengd met zes maanden (artikel 2:101 en 210 BW). Hiermee komt de uiterste termijn voor het opmaken van de jaarrekening op elf maanden. Ook voor coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, verenigingen en stichtingen geldt een uiterste termijn voor het opmaken van de jaarrekening, waarbij de reguliere termijn van zes maanden kan worden verlengd met vijf maanden (artikel 2:49, 58 en 300 BW). Op basis van het huidige recht kan men daarmee uitkomen op een uiterste publicatietermijn van de (opgemaakte) jaarrekening van dertien maanden: vijf of zes maanden voor het opmaken van de jaarrekening plus zes of vijf maanden uitstel van het opmaken, plus twee maanden om de jaarrekening vast te stellen, maakt in totaal dertien maanden. Omdat de uiterste publicatietermijn niet meer dan twaalf maanden mag bedragen, wordt voorgesteld de verlengingstermijn van zes maanden voor NV’s en BV’s, en van vijf maanden voor coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen met een maand te verkorten. De artikelen 49, 58, 101, 210 en 300 worden hieraan aangepast.

Meer informatie

  • Wetvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) (Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening)
  • Memorie van toelichting
  • Advies Raad van State
  • Dossier op overheid.nl

Artikelen en berichten:

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , , | 2 reacties

“Centraal aandeelhoudersregister – Voor notaris lust, maar ook last”, artikel in Mr.

Over de rol van notarissen bij het Nederlandse overheidsregister van aandeelhouders, verscheen in het tijdschrift Mr. een redactioneel artikel onder de titel “Centraal aandeelhoudersregister – Voor notaris lust, maar ook last”. Daarin wordt de stand van zaken rondom dat register beschreven en worden reacties uit het notariaat vermeld.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Diversen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Response to European Commission consultation on сross-border mergers and divisions by the CCBE

The Council of Bars and Law Societies of Europe (CCBE) has published its response to the European Commission consultation on сross-border mergers and divisions.

Response to European Commission consultation on сross-border mergers and divisions
The Company Law Committee of the CCBE, which has prepared this response on behalf of the CCBE, supports the Commission’s desire to facilitate cross-border activities between companies in the EU, whilst also believing it is important to protect existing rights of creditors and shareholders of existing companies. The CCBE has various comments and suggestions on the consultation as follows: [Read further]

 

Geplaatst in English | information on Dutch company law in English, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Grensoverschrijding | Tags: | Een reactie plaatsen

KNB: ‘Gewaarmerkt uittreksel opvragen uit CAHR’

In de nieuwsbrief van 9 maart jl. laat KNB weten dat belanghebbenden gewaarmerkte uittreksels uit het overheidsregister van aandeelhouders moeten kunnen opvragen:

KNB: ‘Gewaarmerkt uittreksel opvragen uit CAHR’
De KNB vindt dat een aandeelhouder bij de Kamer van Koophandel een gewaarmerkt uittreksel van zijn eigen gegevens uit het centraal aandeelhoudersregister (CAHR) kan opvragen om dat aan een Wwft-instelling te kunnen overleggen. Dit sluit aan bij de reactie van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) op de initiatiefnota van de SP. De SP wil dat alle financiële instellingen en vrije beroepsbeoefenaren die onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, inzage moeten krijgen in het CAHR. In een brief heeft de KNB laten weten dat een breder toegankelijk CAHR de kans op misbruik vergroot. De KNB verklaarde afgelopen week dat het blij is met de rol van de notaris bij het CAHR.
Zie dossier Centraal aandeelhoudersregister

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk) | Tags: , | 1 reactie

Reactie KNB op de wijziging van de handelswetregelgeving en het overheidsregister van aandeelhouders

De KNB heeft in het dossier op de site over het overheidsregister van aandeelhouders diverse berichten geplaatst. In een bericht van 6 maart jl. laat KNB weten blij te zijn met de rol die KNB bij dat register, door KNB als “CAHR” aangeduid, krijgt:

KNB – KNB blij met rol notaris bij CAHR
06 maart 2015

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is blij met de belangrijke rol die de notaris krijgt bij het centraal aandeelhoudersregister (CAHR). Dit heeft de KNB het ministerie van Economische Zaken laten weten in haar reactie op de consultatie inzake het voorontwerp van het wetsvoorstel dat onder meer de instelling van het CAHR regelt. Ook de beslotenheid van het register stemt de beroepsorganisatie tevreden. In haar reactie verwijst de KNB mede naar het advies dat de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) over het voorontwerp heeft uitgebracht. De KNB heeft zich achter dit advies gesteld.

Het CAHR wordt alleen toegankelijk voor bepaalde overheidsinstellingen ten behoeve van controle-, toezichts-, handhavings- en opsporingsdoeleinden en voor het notariaat ten behoeve van recherchewerkzaamheden. De KNB heeft deze vorm van beslotenheid steeds bepleit, in het belang van de privacy van de in het CAHR geregistreerde aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders. Onbeperkte toegang tot informatie voor de aangewezen publieke diensten en het notariaat is volgens de KNB onwenselijk. Om duidelijk te maken wie recht heeft op welke informatie gaat de KNB ervan uit dat de toegang tot het CAHR wordt gereguleerd met een autorisatieregeling.

Administratieve lasten en kosten
Met de invoering van het CAHR wordt het vennootschappelijk aandeelhoudersregister niet afgeschaft. Hierdoor moeten bepaalde gegevens over aandelen en aandeelhouders dubbel worden geregistreerd. De KNB vindt dat moet worden gestreefd naar afschaffing van dit register om administratieve lasten en kosten te verminderen. In haar reactie op de consultatie laat de notariële beroepsorganisatie weten nog in overleg te zijn met de Kamer van Koophandel (KvK) over de wijze waarop notarissen de in het CAHR te registreren gegevens gaan opgeven aan de KvK. Hierbij zal zoveel mogelijk moeten worden aangesloten bij de bestaande werkprocessen van het notariaat, zodat zo min mogelijk extra handelingen nodig zijn om opgaven aan het CAHR te kunnen doen.

Voor de volledige reactie van de KNB en het advies van de GCV klik hier

KNB maakt op 6 maart jl. voorts melding van de kamervragen die over het overheidsregister zijn gesteld:

KNB – Tweede Kamer stelt vragen over toegankelijkheid CAHR
06 maart 2015

De Tweede Kamer heeft vragen gesteld over de toegankelijkheid van het centraal aandeelhoudersregister (CAHR). Dit blijkt uit de inbreng op de initiatiefnota ‘Het centraal aandeelhoudersregister in de strijd tegen witwassen’ van Kamerleden Sharon Gesthuizen en Arnold Merkies (SP). Gesthuizen en Merkies willen een breder toegankelijk register. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) vindt uit privacyoverwegingen dat alleen het notariaat en bepaalde overheidsinstellingen toegang moeten krijgen tot het CAHR.

Het CAHR wordt toegankelijk voor het notariaat om recherchewerkzaamheden te kunnen uitvoeren, zoals onderzoek van de voorafgaande verkrijging bij een aandelenoverdracht of verpanding van aandelen. Bepaalde overheidsinstellingen mogen het CAHR inzien ten behoeve van controle-, toezichts-, handhavings- en opsporingsdoeleinden. De SP-fractie vraagt de initiatiefnemers of het waar is dat het CAHR niet openbaar wordt. De partij wil daarop aansluitend weten of de noodzakelijke informatie alleen toegankelijk is voor instanties en beroepsgroepen die op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) een onderzoek dienen te doen. Het CDA geeft aan dat het niet wenselijk is dat de invoering van het CAHR per 1 januari 2016 wordt vertraagd. De voorgestelde verbreding van het register en het voorgestelde onderzoek naar de wijze waarop de privacy van de aandeelhouders daarbij moet worden beschermd zouden daar mogelijk toe kunnen leiden.

Brief KNB
De KNB stuurde in februari een brief over de initiatiefnota aan de Tweede Kamer waarin zij onder meer wees op de mogelijke gevolgen van een breder toegankelijk CAHR voor familiebedrijven en het ondernemings- en vestigingsklimaat in Nederland. Uit de inbreng blijkt dat de VVD en D66 de initiatiefnemers vragen of de privacy voldoende wordt gewaarborgd. Beide partijen zien mogelijk misbruik van de bij het CAHR ingeschreven aandeelhoudersgegevens en wijzen hierbij op risico’s voor met name familiebedrijven, zoals ontvoering, afpersing en concurrentievervalsing. Verder vragen ze naar de invloed van verdergaande toegankelijkheid op het ondernemings- en vestigingsklimaat in Nederland. De PvdA geeft er de voorkeur aan de in de initiatiefnota opgenomen voorstellen te behandelen in het kader van het door de regering aangekondigde wetsvoorstel over CAHR. Het voorontwerp hiervan heeft tot en met gisteren voor consultatie op internet gestaan.

Meer informatie

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , | Een reactie plaatsen

NBA handreiking inzake de uitkeringstest

De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) heeft ter ondersteuning van accountants die actief zijn in de samenstelpraktijk een handreiking inzake de uitkeringstest (die is geïntroduceerd in de flex-bv wetgeving) uitgebracht, zie het bericht van 12 februari jl. Doel van de handreiking is een uitwerking te geven van de wijze hoe een accountant het bestuur van een bv kan ondersteunen door het samenstellen van een liquiditeitsprognose.

De NBA kondigt aan dat op korte termijn voorbeeldteksten volgen van een samenstellingsverklaring en een opdrachtbevestiging bij een liquiditeitsprognose (ten behoeve van de uitkeringstoets).

Aan de totstandkoming van deze handreiking is een consultatie voorafgegaan, zie dit bericht. Zie voor de openbaar gemaakte reacties dit pdf-bestand. Ik was één van de vijf die reageerden.

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Uitkeringen (o.a. dividend) | Tags: | Een reactie plaatsen

Vraag en antwoord: oprichten zonder notaris / het aandeelhoudersregister van de bv

Een lezer van dit blog stelde de volgende vraag:

Beste Ellen,
twee jaar terug was er ook sprake van om de BV op te kunnen gaan richten bij de KvK. Ik kan er echter niets meer over terugvinden. Is dat voorstel van tafel? Anders zou het toch gelijk met deze wijziging kunnen worden doorgevoerd?
Ten tweede snap ik niet waarom een centraal aandeelhoudersregister niet in de plaats kan komen van die archaïsche papieren versie die alle ondernemers nu moeten bewaren. Kun jij me hierin bijlichten?

Mijn reactie:

Het is momenteel stil rondom de oprichting van een bv zonder notaris. Er is geen bericht dat dit plan definitief van tafel is. Dus wie weet komt het er nog.
Centraal aandeelhoudersregister: heeft niets te maken met het aandeelhoudersregister bij de bv/nv. De notaris biedt dat register altijd in papiervorm aan, maar uit mijn hoofd gezegd staat er nergens dat het register niet digitaal mag zijn. Maar dan zal er natuurlijk wel een systeem moeten zijn om de authenticiteit van de handtekeningen vast te stellen. Mij is niet bekend dat hier betrouwbare software voor wordt aangeboden.

Als er bloglezers zijn, die iets kunnen melden over oprichting zonder notaris of een digitaal aandeelhoudersregister, hoor ik dat graag.

Informatie

  • Oprichting zonder notaris: de minister van economische zaken heeft aangekondigd dat er plannen bestaan om de notariële akte bij oprichting van een “standaard-bv” af te schaffen, zie dit bericht (september 2011). De minister van veiligheid en justitie heeft gemeld dat een wetsvoorstel wordt voorbereid, zie het verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 26 september 2011. Sinds die tijd is het stil gebleven. Zie ook de berichten in de rubriek oprichting zonder notaris
  • Berichten inzake het overheidsregister van aandeelhouders, dat niets te maken heeft met het aandeelhoudersregister dat bv’s en nv’s moeten aanhouden
Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Oprichting zonder notaris, Vraag & antwoord | Een reactie plaatsen