Consultatie corporate governance code van start

Gisteren kondigde de Monitoring Commissie Corporate Governance Code een consultatie inzake de nieuwe code aan. De commissie schrijft:

De Monitoring Commissie Corporate Governance Code publiceert vandaag een Consultatiedocument met haar voorstellen voor een herziening van de Nederlandse Corporate Governance Code. Deze publicatie vormt het startsein voor de consultatieperiode waarin stakeholders en geïnteresseerden worden uitgenodigd om een reactie uit te brengen op het document en deel te nemen aan het publieke debat omtrent de herziening van de Code. De consultatieperiode duurt acht weken en eindigt op 6 april 2016. Het doel is om met de verkregen input en bevindingen uit de consultatiefase te komen tot een herziening van de Code. Het Consultatiedocument treft u hier aan.

Aangezien de code ook in andere sectoren als referentie wordt gebruikt, zoals in de accountancy, is het nuttig van een en ander kennis te nemen.

Een eerste commentaar is in de nieuwsbrief van Nauta te vinden. Beroepsorganisatie voor accountants NBA heeft een bericht onder de titel “NBA verwelkomt voorstel voor herziening corporate governance code” geplaatst.

Meer informatie

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestuur en toezicht | Tags: , | Een reactie plaatsen

Kamerbrief over de contouren van het UBO-register

Na mijn bericht over het ontbreken van de contouren van het ubo-register, is er gisteren een bericht op de site van de rijksoverheid verschenen, waarin wordt gemeld dat die contouren er inmiddels zijn, zie hierna de introductie:

Kamerbrief over de contouren van het UBO-register
Minister Dijsselbloem van Financiën stuurt de Kamer, mede namens de ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken, een brief over het nog op te zetten UBO-register. Daarin moeten de namen komen te staan van natuurlijke personen die, al dan niet achter de schermen, bij een vennootschap of een andere juridische entiteit aan de touwtjes trekken. Het UBO-register moet helpen voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of voor terrorismefinanciering.

Kijk hier voor de complete brief.

Het KNB maakt in dit bericht melding van de kamerbrief.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: , | Een reactie plaatsen

Nederlands centraal aandeelhoudersregister wacht op ubo-register

Uit een KNB bericht blijkt dat invoering van het centrale aandeelhoudersregister is vertraagd:

Uitstel centraal aandeelhoudersregister
11-02-2016

De ontwikkeling van het centraal aandeelhoudersregister (CAHR) wordt aangehouden totdat het UBO-register verder is ontwikkeld. Dit schrijft minister Dijsselbloem van Financiën mede namens minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie en minister Kamp van Economische Zaken aan de Tweede Kamer. De KNB vindt dit jammer. Een effectief middel om misbruik van rechtspersonen te voorkomen en te bestrijden wordt hiermee (voorlopig) onbenut gelaten.
Gelijktijdige ontwikkeling van beide registers leidt tot knelpunten in de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid. Het UBO-register is een afdwingbare Europeesrechtelijke verplichting waarvoor een implementatietermijn is bepaald, daarom dient de prioriteit te liggen bij de ontwikkeling van dat register. Volgens de Kamerbrief is bij het begrip ‘UBO’ (ultimate beneficial owner/uiteindelijk belanghebbende) bepalend dat het gaat om het feit dat deze persoon de formele of feitelijke zeggenschap heeft over een vennootschap of andere juridische entiteit van welke hij de UBO is. Bij registratie van aandeelhoudersinformatie in het CAHR is niet relevant of de aandeelhouder tevens formele of feitelijke zeggenschap heeft over de bv of niet-beursgenoteerde nv. Deze informatie zal wel blijken uit het UBO-register.

Alternatieven KNB
De KNB heeft de betrokken ministeries herhaaldelijk laten weten goedkopere alternatieven te zien voor een CAHR bij de Kamer van Koophandel (KvK). De beroepsorganisatie heeft diverse keren voorgesteld het CAHR bij de KNB onder te brengen en te koppelen aan het Centraal Digitaal Repertorium (CDR) van de KNB, waarin alle door Nederlandse notarissen gepasseerde notariële akten worden ingeschreven. De wijze waarop het CDR is opgezet en wordt ontsloten voor de Belastingdienst maakt het CDR een efficiënte basis voor het CAHR. Dit door, wanneer het gaat om akten met betrekking tot bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s, naast de in het CDR in te schrijven gegevens over deze akten relevante vennootschaps-, aandelen- en aandeelhoudersgegevens uit deze akten te registreren bij de KNB in het CAHR. Hierbij kan worden gekozen voor registratie van aandelentransacties en (mutaties in) aandelenposities of alleen registratie van aandelentransacties. Deze laatste variant, die is uit te bouwen tot de eerste, is relatief eenvoudig en goedkoop te realiseren. Hiermee komen betrouwbare, notariële aandelentransactiegegevens beschikbaar voor overheidsdiensten als Belastingdienst en Dienst Justis ten behoeve van controle-, toezichts-, handhavings- en opsporingsdoeleinden en voor het notariaat ter vergemakkelijking van de notariële recherchewerkzaamheden. Registratie en doorzoeking van de CAHR-gegevens kan op efficiënte wijze plaatsvinden via de bestaande digitale infrastructuur van de KNB.

Fraude
Een belangrijk voordeel van het CAHR is dat het de notariële recherchewerkzaamheden, zoals onderzoek van de voorafgaande verkrijging bij een aandelenoverdracht of verpanding van aandelen vergemakkelijkt, goedkoper maakt en de betrouwbaarheid hiervan vergroot. Dit zorgt voor meer rechtszekerheid en kosten- en administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Verder ziet de KNB het CAHR als belangrijk hulpmiddel bij de voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen, zoals faillissementsfraude.

UBO-register geen alternatief
Op grond van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn moet Nederland uiterlijk op 26 juni 2017 een UBO-register instellen. In dat register worden van vennootschappen en andere juridische entiteiten die in Nederland zijn opgericht de UBO’s vastgelegd. Hoewel het UBO-register en het CAHR een raakvlak hebben waar het bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s betreft, zijn zij wezenlijk anders van aard en zullen zij andere informatie bevatten. Zo worden in het CAHR de (directe) aandeelhouders van deze rechtspersonen geregistreerd. In het UBO-register worden de UBO’s van deze rechtspersonen geregistreerd. Tussenliggende aandeelhouders-rechtspersonen van bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s worden noch in het CAHR noch in het UBO-register geregistreerd. Veel tussenliggende aandeelhouders-rechtspersonen en ook overige indirecte aandeelhouders (waaronder UBO’s) van deze vennootschappen zijn op termijn uit het CAHR te halen. Verder blijven aandelenbelangen van 25 procent of minder voor het UBO-register buiten beschouwing. Deze belangen worden wel in het CAHR geregistreerd. Het UBO-register kan daarom niet dienen als oplossing voor de punten die aanleiding hebben gegeven tot het voorstel/besluit een CAHR in te stellen (Kamerstukken 32608, nrs. 2 en 4). Het CAHR heeft een belangrijke toegevoegde waarde en is een onmisbare aanvulling op het UBO-register. Door het CAHR wordt centraal, digitaal en gestructureerd betrouwbare informatie over aandelen, aandeelhouders en aandelentransacties verzameld en ontsloten (dit is vergelijkbaar met het Kadaster) die nu niet centraal, digitaal en gestructureerd beschikbaar is voor geautoriseerde overheidsdiensten en het notariaat en die ook niet in het UBO-register wordt geregistreerd.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Dieleman: “Nieuwe rol accountant bij goedkeuring bestuursverslag”

Anton Dieleman schreef over de rol van de accountant met betrekking tot het bestuursverslag een artikel, “Nieuwe rol accountant bij goedkeuring bestuursverslag“. Aanleiding is de nieuwe tekst van artikel 2:393 Burgerlijk Wetboek.

Nieuwe tekst artikel 393

De bepaling over het bestuursverslag is onlangs aangepast. Hoewel het bestuursverslag een document is dat door het bestuur van de besloten vennootschap of naamloze vennootschap wordt vastgesteld, heeft de accountant een rol, zoals blijkt uit de huidige tekst van artikel 2:393 BW:

Artikel 393
(…)
3. De accountant onderzoekt of de jaarrekening het in artikel 362 lid 1 vereiste inzicht geeft. Hij gaat voorts na, of de jaarrekening aan de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voldoet, of het bestuursverslag overeenkomstig deze titel is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is, en of het bestuursverslag in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden bevat, en of de in artikel 392 lid 1, onderdelen b tot en met f, vereiste gegevens zijn toegevoegd. (…)
5. De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening. De accountant kan een afzonderlijke verklaring afgeven voor de enkelvoudige jaarrekening en voor de geconsolideerde jaarrekening. De accountantsverklaring omvat ten minste: (…)
f. een oordeel over de verenigbaarheid van het bestuursverslag met de jaarrekening;
g. een oordeel of er, in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn gebleken onder opgave van de aard van die onjuistheden. (…)

Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening

In de wet worden de wijzigingen inzake het bestuursverslag als volgt beschreven:

Artikel 393 wordt als volgt gewijzigd:

1. De tweede volzin van lid 3 komt te luiden:
Hij gaat voorts na, of de jaarrekening aan de bij en krachtens de wet gestelde voorschriften voldoet, of het bestuursverslag overeenkomstig deze titel is opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar is, en of het bestuursverslag in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden bevat, en of de in artikel 392 lid 1, onderdelen b tot en met f, vereiste gegevens zijn toegevoegd.

2. In lid 5, onderdeel e, wordt «jaarverslag» vervangen door «bestuursverslag» en wordt «de in artikel 392 lid 1, onder b tot en met g, vereiste gegevens» vervangen door: de in artikel 392 lid 1, onder b tot en met f, vereiste gegevens.

3. In lid 5, onderdeel f, wordt «jaarverslag» vervangen door: bestuursverslag.

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f van het vijfde lid door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. een oordeel of er, in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn gebleken onder opgave van de aard van die onjuistheden.

Meer informatie

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestuur en toezicht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: | Een reactie plaatsen

Status of SUP

Europe is still working on the proposal for a directive regarding the ‘SUP’, the single-member private limited liability company. It looks as if the process is continuing.

The latest developments are that one committee has rejected the proposal. Another committee has proposed amendments:

  • The Committee on the Internal Market and Consumer Protection (IMCO) gave its opinion on 23 July 2015, proposing amendments.
  • The Committee on Employment and Social Affairs (EMPL) told on 29 June 2015: “The Committee on Employment and Social Affairs calls on the Committee on Legal Affairs, as the committee responsible, to propose rejection of the Commission proposal.”

The SUP is on today’s draft agenda of the committee responsible, the Committee on Legal Affairs (JURI). In this meeting a second working document was to be discussed. In the the introduction to this working document the JURI-rapporteur wrote:

On 9 April 2014 the Commission put forward a proposal for a directive on single-member private limited liability companies.

The rapporteur was assigned the task of drawing up the report of the Committee on Legal Affairs in October 2014. The initial exchange of views held at the beginning of December 2014 revealed strong opposition to the draft directive on the part of some political groups and created serious doubts as to its viability.

The rapporteur then opted to draw up a working document in which he explored the most controversial points and encouraged the shadow rapporteurs to continue the debate and work together to seek acceptable solutions. The working document, submitted in February 2015, was received with interest but did not achieve its goal of encouraging a willingness to consider alternatives.

Since then, the rapporteur has devoted a huge amount of time to studying the proposal and listening to the positions of the various stakeholders: industry, trade unions, academics, and Member State authorities. He has also met the shadow rapporteurs on a number of occasions.

The opinion of Parliament’s Committee on Employment and Social Affairs, which categorically rejects the Commission proposal without providing any reasons, illustrates the ideological nature of the debate surrounding SUPs.

For its part, the Committee on the Internal Market and Consumer Protection carried out sterling work in its area of responsibility and succeeded, after much effort, in gathering the necessary majority to adopt a recommendation.

The rapporteur believes in the proposal’s potential as an instrument that will make it easier to set up companies carrying out cross-border activities, although not on the terms proposed by the Commission, which some believe will open the door to the improper use of SUPs, and not on the terms proposed in the general approach adopted by the Council on 28 May 2015, which is a step in the right direction but is still insufficient, since so many elements are left to subsidiarity that very little remains of the added value offered by the proposal.

This second working document contains practical solutions that will allow the cross-border setting-up of companies while maintaining the necessary legal safeguards. The text also provides a sufficient level of harmonisation to ensure that the directive contributes to ‘making life easier for citizens and businesses, simplifying the legal framework, reducing regulatory burdens across the single market and increasing regulatory predictability’. [1]

The rapporteur is appealing to the shadow rapporteurs, some of whom have formally requested that the proposal be sent back to the Commission, to consider the solutions that have been drawn up in the light of their reservations, and to give a specific and definitive response.

This second working document does not simply sketch out solutions to the problems identified. Rather, specific solutions are provided with the aim of checking whether they might be suitable with a view to launching the formal procedure.

After the debate, in which the rapporteur will engage with humility but also with determination, we will be in a position to adopt the appropriate decision, having heard the political groups and the Commission.

[1] Better regulation for better results – An EU agenda (COM(2015)0215).

It looks as if it will take some time before a conclusion is drawn.

More information

Geplaatst in English | information on Dutch company law in English, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: | Een reactie plaatsen

Uitkeringen en het nieuwe bv-recht in de rechtspraak / Rechtbank Rotterdam 6 januari 2016

Zo langzamerhand zullen er steeds meer rechterlijke uitspraken komen waarin het nieuwe flex-bv recht rondom uitkeringen een rol speelt.
In de zaak die werd voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam nam de algemene vergadering van een besloten vennootschap een besluit tot uitkering van dividend vóór de inwerkingtreding van het nieuwe recht (1 oktober 2012) maar vonden de betalingen deels na 1 oktober 2012 plaats. De rechtbank oordeelde dat de nieuwe regels inzake uitkeringen niet van toepassing waren (Balvert is de eisende partij):

4.10. De leden 3 en 6 van artikel 2:216 BW waarop Balvert zich beroept, waren nog niet in die vorm van kracht ten tijde van het dividendbesluit waaraan Balvert refereert. Het artikel heeft per 1 oktober 2012 een belangrijke wijziging ondergaan. Het relevante dividendbesluit dateert echter van 12 juli 2012. Dat de uit de toekenning van het dividend voortvloeiende vordering/schuld destijds is verwerkt in de rekening courant en dat in belangrijke mate pas later betalingen aan de aandeelhoudster hebben plaatsgevonden – naarmate het beschikbare werkkapitaal dat toeliet – doet daar niet aan af. Dat brengt niet mee dat de vanaf 1 oktober 2012 in werking tredende wetgeving alsnog van toepassing werd op het genomen dividendbesluit. Lid 3 van het sedert 1 oktober 2012 van toepassing zijnde artikel 2:216 BW heeft bovendien betrekking op aansprakelijkheid jegens de vennootschap, niet op aansprakelijkheid jegens een individuele schuldeiser. Een individuele schuldeiser kan zich daar niet rechtstreeks op beroepen.

Vervolgens beoordeelde de rechtbank de uitkering aan de hand van de wel geldende regels, waarbij ook werd nagegaan of sprake zou kunnen zijn van onrechtmatige daad:

4.13. Het (verlenen van medewerking aan het) doen van een zeer substantiële dividenduitkering kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens een nadien onbetaald gebleven schuldeiser van de vennootschap. Dat daarvan in dit geval sprake was, kan uit de stellingen van Balvert echter niet worden afgeleid. (…)

De rechtbank bespreekt de beschikbare informatie en komt tot de conclusie dat ook dat standpunt van de eisende partij niet kan worden gehonoreerd.

Meer informatie

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Uitkeringen (o.a. dividend) | Een reactie plaatsen

Referendabiliteitsbesluit

Voor mijn algemene weblog schreef ik een artikel naar aanleiding van het referendabiliteitsbesluit inzake de Wet elektronisch deponeren.

Geplaatst in Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: | Een reactie plaatsen

WODC-rapport inzake sanctionering van leidinggevende functionarissen

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van veiligheid (WODC) heeft onlangs een rapport uitgebracht over sancties tegen leidinggevenden. De opdracht is uitbesteed aan de Erasmus Universiteit. Auteurs waren prof. mr. S.D. Lindenbergh, mr. A.I. Schreuder en mr. J.H.J. Verbaan, allen verbonden aan de Erasmus School of Law. Geen van hen lijkt op het eerste gezicht over specifieke kennis op het gebied van het rechtspersonenrecht te beschikken. Zij lijken voornamelijk algemeen privaatrechtelijke en strafrechtelijk georiënteerd. De bestuursrechtelijke en financieelrechtelijke component lijken niet vertegenwoordigd.

Over  sanctionering van leidinggevende functionarissen wordt zeer veel geprocedeerd en geschreven. Daarom vroeg ik me af waarom aan het WODC is verzocht een dergelijk rapport uit te brengen en wat dit rapport toevoegt aan het bestaande gamma van handboeken over aansprakelijkheid van bestuurders en andere leidinggevenden.

De inleiding op het rapport verschaft weinig verheldering. Ronduit vreemd is dat in de eerste alinea wordt gesuggereerd dat onoorbare handelingen door rechtspersonen nieuw zouden zijn en dat het nieuw zou zijn dat gekeken wordt naar het aanspreken van leidinggevenden. Citaat:

Er zijn de afgelopen jaren diverse voorvallen aan het licht gekomen waarbij bedrijven en instellingen op onoorbare wijze bleken te hebben gehandeld. In toenemende mate komt daarbij de vraag op naar de mogelijkheden om leidinggevende functionarissen aan te spreken wanneer zij rechtens onjuist handelen c.q. hun positie of hun bedrijf of instelling daarvoor gebruiken.

Ook een uitleg waarom dit rapport nodig is wordt niet gegeven. In de inleiding staat:

Met dit document wordt beoogd om het bestaande juridische kader ter zake van de mogelijkheden tot sanctionering van leidinggevenden van bedrijven en instellingen in hoofdlijnen inzichtelijk te maken.
Het doel is primair om een overzicht te bieden, en het bestaande ‘instrumentarium’ binnen het civiel-, straf- en bestuursrecht in een handzaam document samen te brengen. Het rapport strekt er niet toe een uitputtende analyse te geven van alle gronden voor aansprakelijkheid en mogelijkerwijs op te leggen sancties, nu de beoogde overzichtsfunctie dan (groten)deels verloren zou gaan.

Mij lijkt dat dergelijke overzichten er al lang zijn. Voorts is dit WODC-rapport zo oppervlakkig en op veel punten onnauwkeurig dat een beleidsmaker er weinig mee kan. Helaas heb ik geen tijd gehad om het rapport op juridische juistheid te toetsen, maar ik geloof niet dat ik er op af zou durven te gaan.

Enkele aantekeningen naar aanleiding van het rapport

In het rapport wordt terecht breder gekeken dan alleen naar de statutaire bestuurder; ook is juist om zowel privaatrecht, bestuursrecht als strafrecht te behandelen.

Vreemd is dat in het rapport personenvennootschappen mee worden genomen, zonder de positie van de vennoten voldoende uit te diepen. Het was beter geweest als de auteurs de rapportage tot rechtspersonen hadden beperkt.

In het rapport is sprake van inconsequent gebruik van de terminologie inzake het subject van het onderzoek (‘functionarissen’, ‘leidinggevenden’), een terminologie die ook niet aansluit bij de begrippen die in de regelgeving wordt gebruikt.

Hinderlijk is dat de auteurs spreken over ‘ontzetting uit beroep‘ spreken als zij het hebben over ontslag van een statutair bestuurder van een rechtspersoon (onder meer pagina 13), terwijl er elders over ‘beroep’ wordt gesproken als het uitoefenen een specifieke activiteit (bijvoorbeeld pagina 28: horecaondernemer, leidinggevende bij een bedrijf actief met gevaarlijke stoffen). Nu het woord ‘beroep’ ook voor de gereguleerde beroepen (advocaat, notaris, accountant, enzovoorts) wordt gebruikt, is de keuze voor dit woord niet gelukkig.

Soms wordt ingegaan op detailwetgeving die mij voor het algemene beeld weinig belangrijk lijkt.

Risicoaansprakelijkheid voor alle leidinggevenden?

Een gemiste kans is dat de auteurs niet expliciet ingaan op de vraag in hoeverre en wanneer verdedigbaar is dat leidinggevenden aansprakelijk dienen te zijn als geen sprake is van een ‘ernstig verwijt’ (hierna: ‘het schuldvereiste’), het klassieke criterium in het rechtspersonenrecht. Een daarmee samenhangende vraag is of – als het schuldvereiste wordt losgelaten – dat ook mag gelden voor leidinggevenden die geen statutair bestuurder of statutair toezichthouder (commissaris) zijn.
Anders gezegd: wanneer is het te rechtvaardigen dat een leidinggevende aansprakelijk is omdat hij “beter had moeten weten” of “had moeten ingrijpen” (kleurloos opzet, risicoaansprakelijkheid). En: in welke gevallen is het te rechtvaardigen dat iemand die geen formele functie heeft bij de rechtspersoon (geen statutair bestuurder of statutair toezichthouder) met aansprakelijkheidsrisico rekening moet houden.

Dit is belangrijk, omdat in veel nieuwe bestuursrechtelijke en andere wetgeving het schuldvereiste wordt losgelaten, om het voor justitie en overheid makkelijk te maken leidinggevenden aan te pakken. Dat kan betekenen dat de ‘verkeerde’ wordt gepakt, wat kan leiden tot onbegrip in de samenleving.

Tot slot

Persoonlijk denk ik dat het nuttiger zou zijn geweest als de auteurs hadden gekozen voor een behandeling van de belangrijkste regelingen in privaatrecht, bestuursrecht en strafrecht en aandacht zouden hebben besteed aan de algemene tendensen die zichtbaar zijn, zoals het afnemend belang van het schuldvereiste en de plannen om naming & shaming vaker in te zetten.

Meer informatie

Dit artikel heb ik ook op mijn algemene weblog gepubliceerd.

Aanvulling 28 januari 2016: taalkundig aangepast, naar aanleiding van een reactie van een lezer, waarvoor dank.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Personenvennootschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Wet inzake elektronisch deponeren binnenkort in werking; verplichting elektronisch deponeren jaarrekening waarschijnlijk met ingang van boekjaar 2016

Op 16 december 2015 is de wet in het Staatsblad verschenen, op grond waarvan documenten langs elektronische weg in het handelsregister kunnen worden gedeponeerd. Op grond van deze wet worden ruime mogelijkheden gecreëerd om rechtspersonen te verplichten documenten elektronisch te deponeren.

Kernartikel is het nieuwe artikel 19a Handelsregisterwet 2007:

Artikel 19a
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor daarbij aangewezen rechtspersonen bepaald dat voor daarbij aangewezen bescheiden waarvan bij of krachtens de wet is voorgeschreven dat die bij het handelsregister worden gedeponeerd, deponering daarvan uitsluitend langs elektronische weg plaatsvindt en worden regels gesteld over de wijze waarop die deponering moet plaatsvinden.
2. Voor aangewezen bescheiden als bedoeld in het eerste lid, waarvan de inhoud betrekking heeft op enig boekjaar, wordt bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur tevens bepaald vanaf welk boekjaar de in het eerste lid bedoelde verplichting daarop van toepassing is.
3. De Kamer draagt zorg voor het langs elektronische weg kunnen ontvangen van aangewezen bescheiden als bedoeld in het eerste lid op de in dat lid genoemde algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de Kamer ondersteunende voorzieningen beschikbaar stelt, voor zover dit ten behoeve van het deponeren van op grond van het eerste lid aangewezen bescheiden door op grond van het eerste lid aangewezen rechtspersonen noodzakelijk is.

In verband met deze wijziging wordt ook de terminologie van boek 2 Burgerlijk Wetboek en de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen aangepast.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om lid 1 van artikel 394 BW2 aan te passen. In de tekst is de verwijzing naar goedkeuring van de jaarrekening verwijderd. Zie onderstaand de nieuwe tekst:

1. De rechtspersoon is verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na de vaststelling. De openbaarmaking geschiedt door deponering van de volledig in de Nederlandse taal gestelde jaarrekening of, als die niet is vervaardigd, de jaarrekening in het Frans, Duits of Engels, bij het handelsregister, indien van toepassing op de wijze als voorgeschreven bij of krachtens artikel 19a van de Handelsregisterwet 2007. De dag van vaststelling moet zijn vermeld.

Het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt, is nog niet bekend gemaakt. Ook de algemene maatregel van bestuur is nog niet bekend.

KNB besteedde aandacht aan deze wet in het volgende nieuwsbericht:

Jaarrekening vanaf 1 juli elektronisch aanleveren
14-01-2016

In de toekomst mogen bescheiden, zoals de jaarrekening uitsluitend langs elektronische weg worden aangeleverd bij het handelsregister. Dit staat in de Wet deponering in handelsregister langs elektronische weg. De algemene maatregel van bestuur (AMvB), waar de verplichting tot het elektronisch aanleveren uit voortvloeit, treedt naar verwachting op 1 juli 2016 in werking.
Het aanleveren gaat straks via een uniforme standaard, namelijk Standard Business Reporting (SBR). Dit is een methode voor het samenstellen en aanleveren van financiële berichten. Bij SBR worden de gegevens in de bedrijfsadministratie van labels voorzien, zodat op eenvoudige wijze rapportages elektronisch gegenereerd en aangeleverd kunnen worden.
Verschillende rechtspersonen
Het voornemen is om de verplichting voor micro en kleine rechtspersonen vanaf boekjaar 2016 te laten gelden. Middelgrote rechtspersonen worden vanaf boekjaar 2017 verplicht om elektronisch te deponeren en grote rechtspersonen vanaf de jaarrekening over het boekjaar 2019. Voor bepaalde rechtspersonen, zoals beursgenoteerde vennootschappen, zal in de AMvB geen verplichting tot deponering langs elektronische weg worden opgenomen.

Meer informatie

  • Wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Handelsregisterwet 2007, het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in verband met deponering van bescheiden in het handelsregister langs elektronische weg“, vindplaats: wet op overheid.nl; dossier op overheid.nl.
  • Ik schreef hier al eerder over, onder meer in december 2015 en in juli 2014 naar aanleiding van de consultatie.
Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , | Een reactie plaatsen

Nog geen contouren van het Nederlandse ubo-register zichtbaar

Over ongeveer anderhalf jaar zal Nederland op grond van de 4e Europese antiwitwasrichtlijn een ubo-register moeten hebben. De contouren van de register zijn echter  nog niet openbaar.
In december jl. liet de staatssecretaris van financiën in algemene termen uit. Ook in de memorie van antwoord inzake het wetsvoorstel bestuursverbod en een antwoord op kamervragen van november 2015 en september 2015 komt het register summier aan de orde.

Het is onduidelijk hoe de verplichtingen nader zullen worden vormgegeven, terwijl de Europese richtlijn nog veel in het ongewisse laat.

Hierna ter informatie een passage uit de brief van december jl.

Brief van 17 december 2015

De staatssecretaris van financiën heeft in een brief van 17 december 2015 aan de tweede kamer meegedeeld dat de introductie van het ubo-register in Nederland een flinke uitdaging is:

Mevrouw van Tongeren (Groen Links) heeft gevraagd naar het proces van implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en daarmee van het opzetten van een register met informatie over UBO’s (UBO-register). De vierde anti-witwasrichtlijn is afgelopen zomer vastgesteld. Er geldt een een implementatietermijn van 2 jaar. De implementatie vergt aanpassing van formele wetgeving en het invoeren van een UBO-register dat een complex (ICT-)project is dat met zorg moet worden uitgevoerd. Afronding van de implementatie halverwege 2017 acht het kabinet derhalve redelijk en passend.

Meer informatie:

Aanvulling 11 februari 2016

Na mijn bericht over de contouren van het ubo-register, is een bericht op de site van de rijksoverheid verschenen, waarin eveneens over “contouren” wordt gesproken, zie hierna de introductie:

Kamerbrief over de contouren van het UBO-register
Minister Dijsselbloem van Financiën stuurt de Kamer, mede namens de ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken, een brief over het nog op te zetten UBO-register. Daarin moeten de namen komen te staan van natuurlijke personen die, al dan niet achter de schermen, bij een vennootschap of een andere juridische entiteit aan de touwtjes trekken. Het UBO-register moet helpen voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld of voor terrorismefinanciering.

Kijk hier voor de complete brief.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Rechtspersonenrecht overig | Tags: | Een reactie plaatsen