Inwerkingtreding 4e Europese antiwitwasrichtlijn binnenkort verwacht

Nu het ontwerp voor de 4e Europese antiwitwasrichtlijn door de Europese Raad is vastgesteld, valt inwerkingtreding binnenkort te verwachten. Zie voor het persbericht en vindplaatsen dit bericht op mijn algemene weblog en het bericht op het ubo-register weblog.

Op het ubo-register weblog zal worden geprobeerd algemene informatie op een handzame manier bij elkaar te zetten.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: | Een reactie plaatsen

Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht KNB/NOVA inzake wetsvoorstel Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening

Onlangs heeft Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van KNB en NOVA (GCV) advies uitgebracht inzake het wetsvoorstel Uitvoeringswet  richtlijn  jaarrekening. De opmerkingen en vraagpunten van de GCV ten aanzien van het wetsvoorstel worden door de commissie als volgt samengevat:

  • Bij de implementatie van de richtlijn jaarrekening is de beleidsmatige keuze gemaakt om slechts enkele inhoudelijke wijzigingen door te voeren in de Nederlandse wetgeving, te weten op die punten waar de richtlijn jaarrekening inhoudelijke wijzigingen bevat ten opzichte van de Vierde en Zevende richtlijn vennootschapsrecht. De GCV betreurt deze keuze en de wijze waarop uitwerking heeft plaatsgevonden van deze keuze, met name omdat hierdoor een aantal thans bestaande strijdigheden in (titel 9 van) Boek 2 BW met de Europese jaarrekeningvoorschriften in stand wordt gehouden. Als concrete voorbeelden daarvan wijst de GCV op de van de richtlijn jaarrekening (alsmede van de Vierde en Zevende richtlijn vennootschapsrecht) afwijkende hoofdnorm voor de inrichting van de jaarrekening (het zogenoemde “inzichtsvereiste” in artikel 2:362 BW) en de omschrijving van het begrip “groep” (in artikel 2:24b BW).
  • De GCV acht het, gezien het toenemende belang dat in wet- en regelgeving wordt gehecht aan door de raad van commissarissen van een rechtspersoon zelfstandig op te stellen jaarlijkse verslagen, wenselijk dat in Boek 2 BW een algemene norm voor dergelijke verslagen wordt opgenomen. De GCV stelt voor om het Wetsvoorstel daartoe aan te grijpen.
  • Het Wetsvoorstel bevat een aanpassing van Boek 2 BW die inhoudt dat de term “jaarverslag” wordt vervangen door “bestuursverslag”, waardoor de in Boek 2 BW gebezigde terminologie gelijkluidend wordt aan de terminologie van de richtlijn jaarrekening. De GCV juicht dit toe, maar stelt vast dat deze wijziging ten onrechte beperkt blijft tot Boek 2 BW. De GCV adviseert om ook in andere wetgeving in formele zin (en in lagere regelgeving) deze wijziging door te voeren. Verder adviseert de GCV om ook de andere in Boek 2 BW gebezigde termen in overeenstemming te brengen met de in de richtlijn jaarrekening gebezigde terminologie.
  • Het Wetsvoorstel bevat op een aantal onderdelen onduidelijkheden voor wat betreft het toepassingsbereik van voorgestelde aanpassingen, waaronder de voorgestelde flexibele datum van inwerkingtreding. De GCV adviseert op deze punten in de toelichtende stukken enige nadere duiding te verschaffen.
Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestuur en toezicht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , , | 2 reacties

Bestuursverbod en bonusbeperking in het financiële recht | advies Raad van State inzake de Implementatiewet richtlijn kapitaalvereisten

In toenemende mate wordt via bestuursrechtelijke weg ingegrepen in privaatrechtelijke verhoudingen. Die ontwikkeling is met name in het financiële (toezicht)recht zichtbaar en heeft ook consequenties voor het rechtspersonenrecht.

De Raad van State heeft advies uitgebracht over het voorstel Implementatiewet richtlijn kapitaalvereisten. Over de voorgestelde mogelijkheid voor de toezichthouder (veelal DNB) om personen te verbieden een functie uit te oefenen is de Raad kritisch. Ook levert de Raad kritiek op het voornemen in te grijpen in bestaande contractsverhoudingen.

Onderstaand passages over deze onderwerpen uit de samenvatting van de Raad van State:

Tijdelijk verbod

Het wetsvoorstel introduceert een bevoegdheid voor de toezichthouder (veelal de Nederlandsche Bank) om aan personen werkzaam bij een bank of beleggingsonderneming een tijdelijk verbod op te leggen. Hiermee kan de toezichthouder personen verbieden om functies uit te oefenen bij banken, beleggingsondernemingen of ondernemingen binnen een groep waarvan de banken of beleggingsondernemingen deel uitmaken. Een beroepsverbod is mogelijk als de bank of beleggingsonderneming een overtreding heeft begaan die is gerangschikt in de zwaarste boetecategorie. Zo’n tijdelijk verbod kan worden opgelegd aan personen die de overtreding hebben begaan, daarvoor opdracht hebben gegeven of daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.

De facto beroepsverbod
De Afdeling advisering wijst er op dat de werkingssfeer van het tijdelijk verbod ruim is. De mogelijkheid om zo’n verbod op te leggen is namelijk niet beperkt tot de actuele functie van de betrokken persoon, maar kan zich uitstrekken tot andere functies binnen de financiële sector. Om te voorkomen dat het verbod wordt omzeild door een functie te bekleden binnen een onderneming die aan de betreffende bank of beleggingsonderneming is verbonden, geldt het verbod ook voor de andere ondernemingen binnen de groep waarvan de betrokken bank of beleggingsonderneming deel van uitmaakt. Daarmee kan zo’n verbod zeer ingrijpend zijn en de facto neerkomen op een beroepsverbod voor de betrokkene. Verder is de maximale duur van de sanctie wettelijk niet bepaald, aangezien de toezichthouder immers besluit over de duur van de schorsing.

Proportioneel
De Afdeling advisering merkt op dat voor elke sanctie geldt dat zij proportioneel moet zijn in het licht van de aard en de ernst van het feit waarvoor zij wordt opgelegd. Ook moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In dit licht is de Afdeling advisering van oordeel dat het beroepsverbod onvoldoende waarborgt dat deze, gelet op de ruime werkingssfeer, evenredig is. De Afdeling advisering is van mening dat in de wet waarborgen, zoals bijvoorbeeld de maximale duur van het verbod, moeten worden opgenomen om te verzekeren dat een opgelegde sanctie proportioneel is aan de overtreding waarvoor deze wordt opgelegd.

Beperking bonus

In het wetsvoorstel wordt een plafond ingesteld voor de variabele beloning (bonus) voor bepaalde categorieën werknemers van financiële ondernemingen. Het betreft medewerkers van wie de werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden. Het variabele deel van de beloning mag op jaarbasis maximaal 100% van het vaste deel van de beloning bedragen. Voor aandeelhouders, bestuurders of leden van de onderneming geldt dat de bonus maximaal 200% van het vaste deel van de totale beloning op jaarbasis mag bedragen.
De Afdeling advisering stelt vast dat hiermee de contractsvrijheid tussen de betrokken werknemers en de ondernemingen waarbij zij in dienst zijn wordt beperkt. Zij wijst er op dat bestaande aanspraken en rechtsposities in beginsel vallen onder de bescherming van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Wil een inmenging in eigendomsrechten rechtmatig zijn, dan moet voldaan worden aan bepaalde voorwaarden. Zo moet de inmenging een wettelijke basis hebben, een legitiem doel dienen dat past in het kader van het algemeen belang en bovendien proportioneel zijn. In de richtlijn wordt geen herkenbare afweging op dit punt gemaakt. Het ligt naar het oordeel van de Afdeling advisering daarom in de rede dat het kabinet die afweging in dit wetsvoorstel, waarmee de richtlijn wordt geïmplementeerd, maakt.

Meer informatie

Geplaatst in Beloning bestuurders en toezichthouders, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuursverbod | Tags: | Een reactie plaatsen

Dienst Justis: Toezicht op rechtspersonen verstevigd

In een bericht van 2 april 2015 laat Dienst Justis weten dat het toezicht op rechtspersonen zou zijn verstevigd. Onderstaand het bericht zoals op de site van Justis gepubliceerd:

Toezicht op rechtspersonen verstevigd
Nieuwsbericht | 02-04-2015

Het toezicht op rechtspersonen is gericht op het signaleren en voorkomen van misbruik van rechtspersonen. De screeningsautoriteit Justis van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft bij de uitvoering van het toezicht op rechtspersonen de samenwerking met de toezichthouders en opsporingsinstanties versterkt.
Dit heeft geleid tot een betere afstemming op de prioriteiten en wensen van de samenwerkingspartners waaronder de Belastingdienst, de politie, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Openbaar Ministerie. Hiermee levert Justis een belangrijke bijdrage aan rechtshandhaving en de Rijksbrede aanpak van fraude. Deze kabinetsaanpak bestaat uit een reeks maatregelen om fraude te voorkomen en effectiever te bestrijden, waaronder faillissementsfraude of de aanpak van schijnconstructies.

Sterke toename risicomeldingen in 2014
Justis screent jaarlijks ruim 1 miljoen rechtspersonen en verstrekt risicomeldingen en netwerktekeningen aan samenwerkingspartners. In 2014 zijn 365.000 wijzigingen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel automatisch door het ICT systeem RADAR geanalyseerd. Deze wijzigingen zijn gecombineerd met gegevens uit databestanden van belangrijke partners. Dit leidde tot 2.094 zaken die door Justis behandeld werden.
Daaruit zijn 282 risicomeldingen aan partners afgegeven. Ook zijn 1.110 netwerktekeningen verstrekt aan curatoren, politie en andere samenwerkingspartners. De mogelijkheden van RADAR en de door Justis opgebouwde expertise in het vaststellen van risico’s op misbruik van rechtspersonen, hebben in 2014 geleid tot een sterke toename van het aantal risicomeldingen en netwerktekeningen. In 2013 werden door RADAR 359.669 wijzigingen in het Handelsregister geanalyseerd, zijn door Justis 1.342 zaken behandeld en 145 risicomeldingen aan partners verstrekt.

Concrete acties
Justis verstrekt risicomeldingen efficiënter, sneller en meer op maat. Hierdoor kunnen samenwerkingspartners sneller en gerichter optreden. Dit heeft geleid tot positieve resultaten. Op basis van die risicomeldingen hebben de Belastingdienst, de politie, het Openbaar Ministerie en andere partners ter voorkoming van misbruik van rechtspersonen in 2014 de nodige acties kunnen verrichten. Risicomeldingen hebben geleid tot concrete vervolging door het oprollen van een drugslaboratorium voor amfetamine, intrekking van vergunningen of nader onderzoek naar witwassen en Europese geldstromen.
Verder zijn nieuwe oprichtingen geblokkeerd om omzetbelastingfraude te voorkomen, verdachte netwerken in beeld gebracht, niet eerder waargenomen bestuurswisselingen bij de Belastingdienst verwerkt, beslagleggingen uitgevoerd of verdachten van fraude aangehouden en vervolgd. Hans Blokpoel, Algemeen Directeur Belastingen: ‘Naast onze eigen expertise draagt de samenwerking met Justis bij aan onze aanpak om risico’s zo vroeg mogelijk te detecteren. Ons doel blijft tenslotte om fraudes snel te stoppen en liefst zelfs voor te zijn.’
Justis blijft in afstemming met de ketenpartners investeren in de versteviging van het toezicht op rechtspersonen.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Controle op rechtspersonen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Fou-Khan Tsang over accountants, bankiers en de regeldruk

Fou-Khan Tsang schreef voor de eerste papieren uitgave van Accountancy Vanmorgen (editie april 2015) een mooi artikel over banken, accountants en de regeldruk. Op Twitter schrijft hij dat hij het artikel ook op zijn weblog zal publiceren. Lezen!

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , | Een reactie plaatsen

Societas Unius Personae, oftewel SUP, de Duitsers zien er wel iets in

Al enige tijd is Europa bezig met de Societas Unius Personae, oftewel SUP, een rechtsvorm die geschikt zou moeten zijn voor kleine ondernemingen. In Nederland hoor je er niet zo veel over. Net zoals je over andere Europese rechtsvormen weinig hoort; tegenkomen doe je ze in de gewone ondernemingsrechtpraktijk al helemaal niet. Vorige jaar maakte ik een berichtje voor dit blog met een overzicht van informatie over de SUP.

In Duitsland lijkt men wel wat in de SUP te zien, zo blijkt uit een bericht van de Deutscher Industrie- und Handelskammertag (DIHK) van afgelopen week. In een nieuwsbericht schrijft het DIHK:

Societas Unius Personae: Ein Schritt in die richtige Richtung

Wie kann die EU Unternehmer und Unternehmen unterstützen, die in anderen Mitgliedstaaten eine selbstständige Gesellschaft gründen wollen? Die EU-Kommission hat dazu die Societas Unius Personae (SUP) vorgeschlagen. Die SUP ist eine Gesellschaft mit beschränkter Haftung mit einem Gesellschafter. Sie soll an die Stelle einer echten supranationalen Europäischen Privatgesellschaft treten, die vielen grenzüberschreitend tätigen kleinen und mittleren Unternehmen Bürokratieerleichterungen gebracht hätte. Auf eine solche einheitliche Rechtsform, die von der Wirtschaft gefordert wurde, konnten sich die Mitgliedstaaten aber nicht einigen. Die SUP soll nun die Rahmenbedingungen für die grenzüberschreitende Geschäftstätigkeit verbessern.

Vieles noch in Diskussion
In den Ausschüssen des EU-Parlaments wird darüber diskutiert, den Anwendungsbereich der Richtlinie auf kleine Unternehmen zu beschränken. Es gibt aber aus Sicht des DIHK keinen Grund, die Unternehmen in ihrer Entwicklung zu bremsen. Die Einschränkung auf nur einen Gesellschafter reduziert zusätzlich die Attraktivität und die Entwicklung der SUP. Die Option, dass die SUP ihren Satzungssitz einerseits und den Verwaltungssitz andererseits in ver- schiedenen Mitgliedstaaten haben kann, wird teilweise als Missbrauchsmöglichkeit zur Umgehung der Mitbestimmungsregelung angesehen. Vergessen wird dabei, dass auch die GmbH nach deutschem Recht seit einigen Jahren ihren Verwaltungssitz ins Ausland verlegen kann. Auch nach dem geltenden EU-Recht ist eine solche Sitztrennung zulässig. Die Erreichbarkeit der Gesellschaft könnte in diesem Fall durch die verbindliche Eintragung einer Geschäftsanschrift im Handelsregister verbessert werden.
Das Mindestkapital von Gesellschaften mit beschränkter Haftung variiert in den EU-Mitgliedstaaten von 1 Euro bis zu 35.000 Euro – entsprechend kontrovers ist auch die Diskussion zur SUP, die grundsätzlich mit einem Euro gegründet werden können soll. Die Entscheidung der Mitgliedstaaten über Mindestkapital und die Bildung von Rücklagen bei der SUP könnte zwar eine Lösung sein – sie schränkt aber die gewünschte Vereinheitlichung wieder ein.

Online-Gründung muss sichere Identifizierung gewährleisten
Die Gründung einer SUP soll über eine Online-Registrierung erfolgen können, damit der Gründer nicht vor Ort erscheinen muss. Wichtig ist, dass die eindeutige Identifizierung des Gesellschafters, der Geschäftsführer bzw. der Person, die die Eintragung veranlasst hat sichergestellt wird – ebenso wie die Authentizität der vorgelegten Unterlagen. Nur so kann der öffentliche Glaube des Handelsregisters für den Rechts- und Geschäftsverkehr gewährleistet werden. Auf die vorgeschlagene Solvenzbescheinigung oder die Nennung des Stammkapitals auf Geschäftsbriefen sollte aus Sicht der Wirtschaft hingegen verzichtet werden.

Unterstützung der Binnenmarktaktivitäten als Ziel
Einheitliche Rahmenbedingungen der SUP und eine Mustersatzung könnten bei der Gründung im EU-Ausland den Zeit-, Beratungs- und Kostenaufwand reduzieren. Wichtig ist es dabei, die Mustersatzung in die Richtlinie zu integrieren. Die SUP ist für die Wirtschaft nicht der große Wurf, aber sie ist durchaus ein Schritt in die richtige Richtung, wenn die Richtlinie an einigen Stellen nachgebessert wird. Dazu bedarf es des konstruktiven Engagements aller Beteiligten im Interesse leichterer Binnenmarktaktivitäten der Unternehmen.

Die detaillierte Stellungnahme finden Sie unter www.dihk.de/eu-stellungnahmen

In juli 2014 maakte DIHK het standpunt over de SUP bekend.

Geplaatst in Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: | Een reactie plaatsen

Ministerraad stemt in met taak curator bij fraudesignalering

Uit een bericht op de site van KNB blijkt dat de ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel om curatoren een belangrijke rol bij fraudesignalering te geven:

Ministerraad stemt in met taak curator bij fraudesignalering

24 maart 2015

De ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel om curatoren een belangrijke rol bij fraudesignalering te geven. Curatoren die in faillissementen mogelijke onregelmatigheden vaststellen, moeten die straks verplicht melden bij de rechter-commissaris. Vervolgens kan er melding of aangifte van de fraude volgen. Het wetsvoorstel wordt nu voor advies aan de Raad van State gestuurd.

In de praktijk stuit een faillissementscurator vaak als eerste op gaten in de administratie of het ontbreken van goederen uit de boedel. Door hem meer ruimte te geven om in die gevallen actie te ondernemen, verwacht de ministerraad dat de aanpak van faillissementsfraude effectiever wordt. De curator moet straks worden ingelicht over bijvoorbeeld buitenlandse vermogensbestanddelen, zoals banktegoeden en onroerend goed. Hij kan dan – bij verzaking van de informatie- en medewerkingsverplichtingen – een bestuursverbod eisen.

Goede afstemming
De regeling vloeit voort uit het wetgevingsprogramma herijking van het faillissementsrecht, waarvan verbetering van de bestrijding van faillissementsfraude een van de pijlers is. De twee andere pijlers van dit wetgevingsprogramma zijn het civielrechtelijk bestuursverbod en de herziening van het strafrechtelijk faillissementsrecht. Voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB pleit daarom voor een goede afstemming van de verschillende wetten die op stapel staan om fraude en andere onregelmatigheden bij rechtspersonen aan te pakken.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Bestuursverbod | Tags: , | Een reactie plaatsen

De bedrogen directeur van Palm Invest

Op 25 februari jl. deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een strafzaak tegen de statutair directeur van Palm Invest. De uitspraak is belangrijk, omdat daar in de vraag aan de orde komt of een directeur strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn, als hij heeft nagelaten om zich voldoende kritisch op te stellen ten opzichte van twee feitelijk leidinggevenden, die vanaf het begin van plan waren beleggingsfraude te plegen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de directeur strafrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld en spreekt hem vrij.

Interessant zijn de overwegingen van de rechtbank:

4.5. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

Hoewel is gebleken dat verdachte zijn functie als statutair directeur lichtvaardig heeft aanvaard en nooit uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke verplichtingen die daaruit voortvloeiden, kan niet worden bewezen dat verdachte al vanaf zijn eerste bemoeienis met Palm Invest op de hoogte was dat de vennootschap enkel was opgericht met het doel om beleggers op te lichten.

Uit de omstandigheden dat verdachte niet heeft gecontroleerd of het belegde geld daadwerkelijk werd geïnvesteerd in Dubai, of er wel 20% eigen vermogen door Palm Invest werd ingebracht en of de Stichting Garantie Gelden Palm Invest wel zekerheden op dat vastgoed kreeg, kan niet zonder meer worden opgemaakt dat verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er sprake was van oplichting. Verdachte dacht immers dat dit buiten zijn takenpakket lag en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hiervoor verantwoordelijk waren. Verdachte heeft ook mogen begrijpen dat deze taken buiten zijn takenpakket lagen, zo blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en andere medewerkers van Palm Invest. Van meet af aan waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] degenen die bepaalden wat er binnen Palm Invest gebeurde en hield [verdachte] zich alleen bezig met de (leiding van de) verkoop van het product. Dat dit anders zou zijn besproken tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt niet uit het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank moet vervolgens worden bezien of van verdachte meer mocht worden gevergd toen er aanwijzingen van buitenaf kwamen dat wellicht van oplichting sprake was.

Volgens zijn eigen verklaring heeft verdachte in juli/augustus 2007 voor het eerst kennis genomen van het omvallen van de vergelijkbare beleggingsfondsen Golden Sun en Royal Dubai. Naar aanleiding van de informatie die daarover in de media verscheen, gaf ook een aantal (potentiële) beleggers in Palm Invest blijk van onrust. Verdachte heeft dit nieuws volgens zijn eigen verklaring serieus genomen en heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om meer informatie gevraagd. Ook op dat moment heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als statutair directeur echter niet genomen. Verdachte had op dat moment moeten onderzoeken of er wel degelijk geld door Palm Invest werd belegd in Dubai en of de overige beloften, te weten de inleg van 20% eigen vermogen en het vestigingen van zekerheden op het vastgoed ten behoeve van de Stichting Garantie Gelden Palm Invest, werden nagekomen. Uit de verklaring van verdachte en de rest van het dossier blijkt dat verdachte ook in die tijd geen besef had van de verplichtingen die aan zijn statutaire functie waren verbonden. Verdachte was voor zijn gevoel én in de praktijk slechts op papier directeur en was slechts verantwoordelijk voor de verkoop van obligaties en het af en toe tekenen van documenten die aan hem werden voorgelegd, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de daadwerkelijke leidinggevenden waren binnen Palm Invest.

Daarmee staat dus vast dat verdachte, hoewel daartoe alle aanleiding bestond en hoewel dit vanuit zijn functie als statutair directeur wel mocht worden verwacht, geen controle heeft uitgeoefend op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hetgeen zij met de beleggingsgelden deden, terwijl evenzeer vast staat dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verdachte en de overige medewerkers van Palm Invest in Nederland niet inlichtten wat er in Dubai met het belegde geld werd gedaan. Daardoor hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de situatie gecreëerd waarbij in Nederland te goeder trouw obligaties werden verkocht, terwijl zij de volledige beschikkingsmacht hadden over het binnengekomen geld en deze gelden buiten de beschikkingsmacht van Palm Invest brachten.

Dit is echter onvoldoende om verdachte als feitelijk leidinggever ten aanzien van de gepleegde strafbare feiten aan te merken, nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er strafbare feiten werden gepleegd. Het is niet aannemelijk dat verdachte, ook als hij de juiste vragen had gesteld aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], meer te weten was gekomen over de daadwerkelijke besteding van het ingelegde geld. Uit het dossier blijkt immers dat de opvolger van verdachte, [medeverdachte 3], die wel is aangesteld om daadwerkelijk als bestuurder op te treden, en die na zijn aanstelling – anders dan verdachte – wel de juiste vragen heeft gesteld, door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eveneens om de tuin is geleid. Ook hij was op het moment van de inval op 21 januari 2008, mede als gevolg van bewuste onjuiste voorlichting door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], nog niet tot de conclusie gekomen dat het ingelegde geld slechts in zeer beperkte mate was gebruikt voor de aankoop van vastgoed en dat er sprake was van strafbare feiten.

Ook de omstandigheid dat verdachte gedurende de gehele periode dat hij statutair directeur was niet zelf heeft gecontroleerd of er daadwerkelijk zekerheden op vastgoed werden gesteld ten behoeve van de Stichting Garantie Gelden Palm Invest en of er 20% eigen vermogen werd geïnvesteerd, is gelet op de beperkte taakopvatting van verdachte onvoldoende om hem strafrechtelijk aansprakelijk te achten voor de ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt niet dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft gemerkt dat er geen activiteit was binnen de Stichting. Die conclusie kan ook niet worden getrokken op grond van de omstandigheid dat verdachte de bestuurder van de Stichting, [persoon 2], nauwelijks zag, terwijl deze een groot aantal documenten zou moeten hebben getekend. Uit het dossier blijkt immers dat de Stichting op een ander adres was gevestigd dan Palm Invest. Het voorgaande betekent dat ook dat de enkele verklaring van getuige [getuige 2] onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er strafbare feiten werden gepleegd door Palm Invest. Ook het feit dat verdachte wist dat [medeverdachte 1] op enig moment voorafgaand aan Palm Invest failliet was gegaan, is hiervoor onvoldoende, nu dit faillissement al dateerde van enkele jaren voor de start van Palm Invest en [medeverdachte 1], gezien zijn levensstijl, ook voorafgaand aan de start van Palm Invest, al leek te beschikken over een aanzienlijk vermogen. Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte, zoals [getuige 1] heeft verklaard, namens de Stichting telefoongesprekken met beleggers heeft gevoerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – het onder 1, primair en subsidiair, 2 en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen nu niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de gepleegde strafbare feiten. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Datzelfde geldt voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde witwassen van de door verdachte ontvangen commissie. Ten aanzien van dat feit geldt bovendien dat die commissie van verdachte contractueel was vastgelegd en geen ongebruikelijke beloning was, zodat verdachte dat geld – ook al gebeurde dat in Dubai – in zijn ogen rechtsgeldig ontving. Ook van dat feit dient verdachte dus te worden vrijgesproken.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, wijst de rechtbank de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging, om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nogmaals als getuige te horen en aanvullende stukken aan het dossier toe te laten voegen, af. Immers is niet voldaan aan de voorwaarden waaronder die verzoeken zijn gedaan.

Meer informatie

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Bestuurdersaansprakelijkheid | Een reactie plaatsen

Reactie Nederlandse Vereniging van Banken inzake overheidsregister van aandeelhouders

In een reactie van 5 maart 2015 laat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) weten het van belang te achten dat zowel het Nederlandse overheidsregister van aandeelhouders als het ubo-register dat op grond van Europese regels verplicht wordt, ruim toegankelijk zal worden. NVB reageert in een consultatie over wijziging van de handelsregisterwetgeving die ik al eerder op dit weblog aankondigde.

De NVB meent dat de ubo’s voldoende beschermd zijn als wettelijk wordt vastgelegd dat degenen die toegang verkrijgen verplicht zijn tot geheimhouding. Mij lijkt dat niet voldoende. Zie hierover ook de brief die door Mazars/Pellicaan aan politiek Den Haag is gestuurd.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk) | Tags: | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel verhoogt grensbedragen jaarrekeningenrecht

Vorige week is een wetsvoorstel ingediend dat tot doel heeft uitvoering te geven aan Europese regelgeving inzake de jaarrekening en waarin ook een aantal andere onderwerpen die relevant zijn voor de praktijk van het rechtspersonenrecht worden gewijzigd.
Ook notarissen, advocaten en andere juridisch adviseurs zullen rekening moeten houden met het nieuwe recht.

Wijzigingen zijn onder meer:

  • De term ‘jaarverslag’ wordt gewijzigd in ‘bestuursverslag’ wat de helderheid ten goede komt.
  • Grensbedragen voor kleine en middelgrote rechtspersonen gaan omhoog.
  • De openbaarmakingstermijn wordt verkort naar twaalf maanden.
  • Er wordt een voorstel voor micro-entiteiten gedaan in artikel 2:395a nieuw.
  • Goodwill direct ten laste van resultaat of eigen vermogen afboeken niet meer toegestaan.
  • Er worden nieuwe jaarrekeningtechnische voorschriften geïntroduceerd die vooral voor grote ondernemingen van belang zijn.

Inleiding

In de inleiding van de memorie van toelichting staat:

Dit voorstel strekt tot uitvoering van richtlijn 2013/34/EU betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen (PbEU 2013, L 182) (hierna: richtlijn jaarrekening). [1] De richtlijn jaarrekening beoogt het jaarrekeningenrecht te moderniseren, te vereenvoudigen, verder te harmoniseren en de administratieve lasten te verlichten. Daarnaast bevat de richtlijn jaarrekening een nieuwe regeling voor de verslaglegging van betalingen aan overheden door ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie en houtkap van oerbossen.

De richtlijn jaarrekening vervangt de vierde richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EG) (PbEEG 1978, L 222) (hierna: vierde richtlijn) en de zevende richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (83/349/EEG) (PbEEG 1983, L 193) (hierna: zevende richtlijn). Deze richtlijnen zijn omgezet in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), het Besluit actuele waarde (Stb. 2005, 321) en het Besluit modellen jaarrekening (Stb. 1983, 666). De richtlijn jaarrekening leidt tot wijziging van deze regelingen.

De richtlijn jaarrekening maakt deel uit van het beleid van de Europese Commissie om de regelgeving voor het midden- en klein bedrijf te vereenvoudigen en de toegang tot financiering voor deze ondernemingen te verbeteren, zoals onder meer uiteengezet in de Europa 2020-strategie (http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm), de Akte voor de interne markt (COM (2011) 206, zie afdeling 2.11 van de Akte) en de Small Business Act (COM (2008) 394). De richtlijn jaarrekening incorporeert tevens richtlijn 2012/6/EU betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft (PbEU 2012, L 81), op basis waarvan lidstaten een verlicht regime voor micro-ondernemingen kunnen vormgeven ter vermindering van de administratieve lasten voor deze ondernemingen. Het optionele regime voor micro-ondernemingen wordt toegelicht in paragraaf 2.9.

Voor niet-beursgenoteerde bedrijven zijn naast de voorschriften uit de richtlijn jaarrekening ook van belang de International Financial Reporting Standards for Small and Medium-sized entities (IFRS for SMEs) (vgl. COM(2011) 684, p. 8). IFRS for SMEs is een internationale verslaggevingsstandaard voor jaarrekeningen van MKB-bedrijven. Deze standaard is ontwikkeld door de International Accounting Standards Board (IASB). IFRS for SMEs is bedoeld voor ondernemingen die geen publieke verantwoording behoeven af te leggen, dus niet voor beursvennootschappen en banken. Gebruik van deze standaard kan bijvoorbeeld voordelen opleveren wanneer een onderneming internationale stakeholders heeft.

IFRS for SMEs kunnen door Nederlandse rechtspersonen worden toegepast, zolang toepassing van deze standaard geen strijd oplevert met de bepalingen ter uitwerking van de richtlijn jaarrekening in titel 9 van Boek 2 BW. De richtlijn jaarrekening en IFRS for SMEs lopen uiteen wat betreft de presentatie van geplaatst, niet gestort kapitaal. Dit kapitaal dient onder IFRS for SMEs te worden afgetrokken van het eigen vermogen. Onder de richtlijn jaarrekening wordt dit kapitaal als een actief gepresenteerd. Met betrekking tot de afschrijvingstermijn van goodwill wordt opgemerkt dat op basis van IFRS for SMEs hiervoor een afschrijvingstermijn van tien jaar geldt. De richtlijn jaarrekening schrijft voor dat in uitzonderlijke gevallen, wanneer de gebruiksduur niet met zekerheid kan worden geraamd, de goodwill moet worden afgeschreven binnen een maximumperiode die door de lidstaten moet worden vastgesteld op ten minste vijf en ten hoogste tien jaar (artikel 12, elfde lid). Door voor een maximumperiode van tien jaar te kiezen, is er geen strijdigheid met IFRS for SMEs op dit punt. Zie de toelichting in paragraaf 2.3.

Op grond van de vierde en zevende richtlijn waren de lidstaten niet verplicht een jaarrekeningregime met vrijstellingen voor kleine rechtspersonen in te voeren. Ook konden lidstaten zelf bepalen welke grensbedragen zij hanteerden voor de categorie kleine rechtspersonen: zij konden lagere grensbedragen gebruiken dan de maximum-grensbedragen die in de vierde richtlijn waren gegeven. Dit is gewijzigd in de richtlijn jaarrekening. Lidstaten moeten een categorie kleine rechtspersonen invoeren waaraan zij geen andere informatie mogen voorschrijven dan volgt uit de richtlijn jaarrekening. De jaarrekening moet beperkt zijn tot de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichting op de jaarrekening (artikel 4, eerste en vijfde lid). Verder is de toelichting op de jaarrekening beperkt tot een maximum aantal onderwerpen (artikel 16, derde lid). Het doel van deze wijzigingen is om de voorschriften voor kleine rechtspersonen in de EU grotendeels uniform te laten zijn en om onevenredige administratieve lasten voor deze groep te vermijden (overweging 10). Er blijven enkele lidstaatopties over. De mogelijkheid om kleine ondernemingen een verkorte balans en winst- en verliesrekening te laten opstellen, blijft een lidstaatoptie (artikel 14). Dat geldt ook voor het vrijstellen van kleine rechtspersonen van de verplichting tot het opstellen van een jaarverslag (artikel 19) en de mogelijkheid om de publicatieplicht te beperken tot de verkorte balans (artikel 31). De accountantscontrole van de jaarrekening van kleine rechtspersonen is buiten het toepassingsbereik van de richtlijn jaarrekening geplaatst. Dit betekent dat lidstaten zelf moeten bepalen of ze voor deze categorie rechtspersonen accountantscontrole willen voorschrijven (overweging 43 en artikel 34).

Een geheel nieuw onderwerp dat de richtlijn jaarrekening in hoofdstuk 10 introduceert, is de verplichting voor ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie of de houtkap van oerbossen om te rapporteren over betalingen die zij doen aan de overheden van de landen waar zij actief zijn (country-by-country reporting). Het doel van deze regeling is om de verantwoordelijkheid en het goede bestuur van deze overheden te bevorderen. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.10.

Als uitgangspunt bij de uitvoering van de richtlijn jaarrekening is ervoor gekozen om alleen waar de richtlijn jaarrekening inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de vierde en zevende richtlijn behelst, de Nederlands wetgeving aan te passen. Zo wordt de wijze waarop gebruik is gemaakt van lidstaatopties in stand gehouden. Verder wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om bepaalde informatie die nu onder de overige gegevens van artikel 2:392 BW aan de jaarrekening dient te worden toegevoegd, te verplaatsen naar de toelichting op de jaarrekening.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de richtlijnen betreffende de jaarrekening van banken en verzekeraars niet zijn gewijzigd. Dit betreft richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PbEEG 1986, L 372) en richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PbEEG 1991, L 374). Zij gelden als lex specialis ten opzichte van de richtlijn jaarrekening. Verwijzingen in die richtlijnen naar artikelen in de vierde en zevende richtlijn moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen in de richtlijn jaarrekening die de ingetrokken artikelen vervangen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de concordantietabel in bijlage VII van de richtlijn jaarrekening.

Noot [1] Het wetsvoorstel strekt tot uitvoering van richtlijn 2013/34/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182). Uiterste implementatiedatum van de richtlijn is 20 juli 2015. Voor verdere implementatieaspecten zij verwezen naar de transponeringstabel aan het slot van deze memorie van toelichting.

Openbaarmaking

Over de openbaarmakingsverplichting staat in de memorie van toelichting:

2.7 Openbaarmaking
Hoofdstuk 7 van de richtlijn jaarrekening (artikelen 30–33) betreft de openbaarmaking van de jaarrekening. Deze dient ook onder de richtlijn jaarrekening openbaar te worden gemaakt via het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel. Wel dient de termijn voor openbaarmaking te worden gewijzigd: deze mag maximaal twaalf maanden bedragen (artikel 30 van de richtlijn jaarrekening). De vierde en zevende richtlijn lieten het bepalen van de openbaarmakingstermijn over aan de lidstaten. In Nederland wordt thans uitgegaan van openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling van de jaarrekening (artikel 2:394 lid 1 BW). De jaarrekening moet uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar openbaar worden gemaakt (artikel 2:394 lid 3 BW). De artikelen 58, 101, 210, 300 en 394 worden in overeenstemming gebracht met de nieuwe uiterste publicatietermijn in de richtlijn jaarrekening. (…)

Onderdeel V (artikel 394)
Artikel 394 gaat over de publicatie van de jaarrekening. De vierde en zevende richtlijn bevatten geen maximale termijn voor de openbaarmaking van de jaarrekening. In Nederland geldt thans op basis van het derde lid van artikel 394 een uiterste publicatietermijn van dertien maanden na afloop van het boekjaar. Op basis van artikel 30 van de richtlijn jaarrekening dient de jaarrekening binnen een redelijke termijn van niet meer dan twaalf maanden na balansdatum openbaar te worden gemaakt. De nieuwe voorgeschreven publicatietermijn heeft tot gevolg dat de uiterste publicatietermijn in het derde lid van artikel 394 van dertien maanden wordt verkort tot twaalf maanden.

Het tweede lid van artikel 394 schrijft voor dat de opgemaakte jaarrekening openbaar moet worden gemaakt indien de jaarrekening niet binnen twee maanden na de termijn voor het opmaken van de jaarrekening is vastgesteld. De termijn voor het opmaken van de jaarrekening is voor NV’s en BV’s vijf maanden na afloop van het boekjaar. Deze termijn kan door de algemene vergadering wegens bijzondere omstandigheden worden verlengd met zes maanden (artikel 2:101 en 210 BW). Hiermee komt de uiterste termijn voor het opmaken van de jaarrekening op elf maanden. Ook voor coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, verenigingen en stichtingen geldt een uiterste termijn voor het opmaken van de jaarrekening, waarbij de reguliere termijn van zes maanden kan worden verlengd met vijf maanden (artikel 2:49, 58 en 300 BW). Op basis van het huidige recht kan men daarmee uitkomen op een uiterste publicatietermijn van de (opgemaakte) jaarrekening van dertien maanden: vijf of zes maanden voor het opmaken van de jaarrekening plus zes of vijf maanden uitstel van het opmaken, plus twee maanden om de jaarrekening vast te stellen, maakt in totaal dertien maanden. Omdat de uiterste publicatietermijn niet meer dan twaalf maanden mag bedragen, wordt voorgesteld de verlengingstermijn van zes maanden voor NV’s en BV’s, en van vijf maanden voor coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen met een maand te verkorten. De artikelen 49, 58, 101, 210 en 300 worden hieraan aangepast.

Meer informatie

  • Wetvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182) (Uitvoeringswet richtlijn jaarrekening)
  • Memorie van toelichting
  • Advies Raad van State
  • Dossier op overheid.nl

Artikelen en berichten:

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , , | 2 reacties