WNT: nieuwe openbaarmakingsplicht per 1 januari 2018

Met ingang van 1 januari 2018 geldt voor organisaties waarop de Wet normering topinkomens (WNT) van toepassing is (‘WNT-instellingen’) een nieuwe openbaarmakingsverplichting. De Evaluatiewet WNT heeft de wettelijke basis gecreëerd voor wijziging van de Uitvoeringsregeling WNT. Daarin is per 1 januari a.s. de verplichting voor WNT-instellingen opgenomen dat de WNT-verantwoording uiterlijk op 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar openbaar gemaakt wordt via het internet op een algemeen toegankelijke wijze.

De verplichting gaat op 1 januari 2018 in, met als gevolg dat de nieuwe regels moeten worden toegepast op alle financiële verslaggevingsdocumenten die na die datum worden vastgesteld.

Aandachtspunten:

  • Het gaat alleen om de WNT-verantwoording, niet om het complete financieel verslaggevingsdocument.
  • Veel WNT-instellingen maken hun jaarrekening met WNT-verantwoording al via internet openbaar. Soms wordt daarbij gebruik gemaakt van een algemeen platform zoals www.jaarverslagenzorg.nl. Voor hen verandert er niets. Diegenen die nog niets op het internet publiceren, zullen met ingang van 1 januari 2018 alsnog moeten gaan publiceren.
  • De internetpublicatieplicht staat los van sectorale regelingen, zoals voor bijvoorbeeld onderwijs-, cultuur- en media-instellingen, zorginstellingen en woningcorporaties kunnen gelden. Die sectorale regelingen kunnen aanvullende verplichtingen bevatten.

 

Advertenties
Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Beloning bestuurders en toezichthouders, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: | Een reactie plaatsen

Privacy en openbare registers

Eerder schreef ik over de privacy van het handelsregister. Op 4 november 2017 verscheen een themanummer van WPNR over privacy en openbare registers, waarin de privacy van dat handelsregister nader wordt besproken. Ook het kadaster en het toekomstige ubo-register als onderdeel van het handelsregister komen in beeld.

Het themanummer bevat artikelen van A. Berlee, I.J. Kloek-Tromp, B. Snijder-Kuipers, H. Koster en S. Brijs/N. Van Landuyt. Het artikel van Berlee is bij SSRN te vinden: “Volledige openbaarheid: het doel voorbij“.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

KNB slaat alarm over regeldruk en lastenverzwaring door nieuwe anti-witwaswet

In het ondernemingsrecht nemen de juridische complicaties en dus de kosten (die aan de klant moeten worden doorberekend) toe als gevolg van de witwasbestrijding.
Bezwaarlijk is dat de witwasbestrijdingsregelgeving ongeschikte verplichtingen – ontleend uit de regels voor financiële instellingen zoals banken – oplegt aan beroepsbeoefenaren en ondernemingen. Een voorbeeld daarvan is het notariaat.

Notarissenorganisatie KNB slaat alarm over de witwasbestrijdingsbureaucratie in dit bericht:

Zorgen om regeldruk en lastenverzwaring bij nieuwe anti-witwaswet
08-11-2017

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) maakt zich zorgen over de toenemende regeldruk en lastenverzwaring als gevolg van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn. De KNB ondersteunt de nieuwe wetgeving, maar pleit er ook voor om de nieuwe regelgeving niet onnodig ingewikkeld te maken.

Volgens de toelichting bij de nieuwe wet laat de richtlijn geen ruimte voor het opsommen van gevallen waarin altijd vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan plaatsvinden. De wetgever geeft aan dat de richtlijn vereist dat door instellingen “maatwerk” wordt verricht. Dit brengt een lastenverzwaring met zich mee ten opzichte van de huidige wet. De KNB pleit ervoor (pdf, 271 kB) om te kunnen volstaan met een beoordeling per soort zaak in gevallen waarin bijvoorbeeld standaard hypotheekakten van bepaalde banken worden gepasseerd.

UBO-plicht
De richtlijn biedt volgens de KNB de mogelijkheid om de UBO-plicht niet te laten gelden voor beursgenoteerde ondernemingen. Dit is de plicht om de ultimate beneficial owner (UBO) van een rechtspersoon vast te stellen. Deze uitzondering op de UBO-plicht geldt automatisch ook voor de “pseudo”-UBO-plicht die geldt als er geen “echte” UBO is. De KNB verzoekt de wetgever van die mogelijkheid gebruik te maken en beursgenoteerde ondernemingen van de UBO-plicht uit te zonderen omdat zij al genoeg verplichtingen op het gebied van openbaarmaking en transparant maken van eigendomsinformatie hebben.

Beveiligde kanalen
In de toelichting bij de wet staat dat het voor instellingen verplicht is dat ze voorzien in beveiligde kanalen om gegevens aan de Financial Intelligence Unit (FIU) te verstrekken. In de wet is deze verplichting echter niet terug te vinden. De KNB ziet niets in een dergelijke verplichting en vindt dat juist de FIU moet zorgen voor de vereiste beveiligde kanalen.

Dit artikel is een aanvulling op mijn eerdere bericht over witwasbestrijding in het ondernemingsrecht.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Witwasbestrijding in het ondernemingsrecht

Al eerder attendeerde ik via dit blog op de ontwikkelingen rondom de 4e Europese antiwitwasrichtlijn (AMLD4), het ubo-register en de Wwft, aangezien dit voor beoefenaars van het ondernemingsrecht van belang is.

Hierna volgen enige vindplaatsen en een bericht van KNB:

  • Het eerste wetsvoorstel tot wijziging van de Wwft is op 13 oktober jl. ingediend, meer informatie is hier te vinden. Rondom het tweede wetsvoorstel, dat over het ubo-register gaat, is het stil, laat staan dat er al iets bekend is over de consultatie inzake de uitvoeringsregeling waarin de ubo-definitie wordt vastgelegd, zie mijn artikel “AMLD4 in Nederland | consultatieve verbrokkeling bij het ministerie van financiën“.
  • Op 26 oktober organiseerde de Vereniging van Notarieel Ondernemingsrecht Specialisten (VOC) een bijeenkomst over ‘verdachte vennootschapsstructuren’. In gesprek met afgevaardigden van OM, FIOD en FIU werd bekeken waar de notaris op moet letten en wat hij moet doen.
  • Waartoe de terrorismefinancieringsbestrijding (onderdeel van de Wwft) kan leiden illustreert een bericht van 2 oktober jl. over een moeder die in Frankrijk werd veroordeeld omdat zij geld stuurde aan haar zoon. Er is geen opzet vereist om veroordeeld te worden. Of dit wel in overeenstemming is met de grondrechten, is de vraag.
  • Alle regels leiden tot verzuchtingen, bijvoorbeeld Compliance is een groot monster dat we zelf gebouwd hebben, aldus Sylvie Bleker-Van Eyk in een interview met CM.
  • Voor De Nederlandse Associatie, een de organisatie die tot doel heeft bij te dragen aan de professionalisering van Nederlandse branche-, beroeps- en belangenorganisaties, federaties, fondsen en bonden, schreef ik een artikel over de uiteindelijk belanghebbende (ubo) bij de vereniging.
  • Zie voor de laatste stand van zaken in Europa mijn artikel van vandaag met informatie uit de CCBE nieuwsbrief. Er wordt nog steeds onderhandeld over de wijziging van AMLD4, die naar verwachting ingrijpend zullen zijn en hoge naleefkosten met zich mee zullen brengen.

Notarissenorganisatie KNB schrijft over het eerste Wwft-wetsvoorstel:

Uitgebreider cliëntonderzoek nodig volgens vierde Europese anti-witwasrichtlijn
19-10-2017

Banken, financiële ondernemingen en verschillende andere beroepsgroepen moeten meer aandacht besteden aan de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme. Zo moet cliëntonderzoek uitgebreider. Dat staat in het wetsvoorstel van de ministers Jeroen Dijsselbloem (Financiën) en Stef Blok (Veiligheid en Justitie) ter implementatie van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, die afgelopen vrijdag bij de Tweede Kamer is ingediend.

Het wetsvoorstel zet de afspraken in de vierde anti-witwasrichtlijn om in Nederlandse wetgeving. Hiermee worden de bestaande regels aangevuld. Dit leidt in Nederland hoofdzakelijk tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), waar de eerder genoemde beroepsgroepen onder vallen. De twee belangrijkste verplichtingen in de Wwft blijven bestaan. Het gaat om de verplichting voor financiële ondernemingen om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid.

Cliëntonderzoek
Notarissen moeten onder de nieuwe wetgeving hun cliëntonderzoek beter afstemmen op de risico’s van de cliënt, hun producten of diensten en de landen waarin de instelling werkzaam is. Dit kan betekenen dat een notaris meer informatie moet verzamelen, voordat hij of zij diensten aan de cliënt kan leveren.

Wetgevingstraject
De KNB heeft in de consultatiefase aangegeven dat de regels in de wet niet strenger moeten zijn dan in de richtlijn. De KNB blijft de wetgeving op het gebied van de Wwft kritisch volgen. De wetgever streeft naar implementatie van deze wet in de eerste helft van 2018. Het wetsvoorstel tot implementatie van het UBO-register wordt naar verwachting begin 2018 bij de Tweede Kamer ingediend.

Meer informatie:


Aanvulling 8 november 2017

Zie het bericht van 8 november over het KNB advies.

In juni jl. stond in Notariaat Magazine het artikel “Wat vindt u daar nu van? Informatie UBO-register openbaar“.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

CNUE | The Transfer of Company Headquarters in the EU

On 6 October 2017 members of the Council of the Notariats of the European Union (CNUE) presented a series of proposals for a directive on the transfer of company seat in the European Union.

More information:

Geplaatst in Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Grensoverschrijding, Rechtspersonenrecht overig | Tags: | Een reactie plaatsen

Ondernemingsrecht in het Regeerakkoord

In het onlangs bekend gemaakte Regeerakkoord zijn voornemens bekend gemaakt relevant voor het ondernemingsrecht en het financiële recht.

Op volgorde van bespreking in het Regeerakkoord betreft dat onder meer:

  • Bestrijding van het kopen van invloed via geldstromen naar politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties (pagina 6).
  • Aanbieders van kansspelen moeten in Nederland zijn gevestigd (pagina 6).
  • Verbodsbepalingen voor radicale organisaties worden uitgebreid door aanpassing van artikel 2:20 BW (pagina 7).
  • Er komen maatregelen om te voorkomen dat activistische aandeelhouders schade toebrengen aan beursvennootschappen (pagina 36).
  • De Wet Markt en Overheid wordt aangescherpt (pagina 36).
  • Er komt regelgeving om de positie van franchisenemers in de pre-competitieve fase te versterken (pagina 37).
  • In het kader van een concurrerend vestigingsklimaat wordt fiscaal ontmoedigd dat firma’s zich alleen op papier in Nederland vestigen; het ondernemen met eigen vermogen wordt fiscaal bevorderd (pagina 37).
  • De regelgeving inzake trustkantoren wordt aangepast (pagina 38).

Meer informatie: het Regeerakkoord van 10 oktober 2017

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Fiscaal overig, Rechtspersonenrecht overig | Tags: | Een reactie plaatsen

KvK: meld eventuele onjuistheden in het Handelsregister

De kamer van koophandel laat weten actiever achter de juistheid van handelsregister adressen aan te gaan.

In hoeverre de kamer beter gaat verifiëren op welke juridische basis een adres wordt gebruikt (eigendom, huur) blijkt niet uit het bericht. Hoe het werkt als een eigenaar constateert dat iemand ten onrechte staat ingeschreven op zijn adres, vermeldt het bericht evenmin.

Overigens zou de website van de kamer wat mij betreft wel eens een facelift kunnen krijgen.

Meer informatie:

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel inzake toonderaandelen zal dit jaar worden ingediend

Het ministerie van financiën kondigt in een brief van 12 september 2017 aan dat het wetsvoorstel inzake toonderaandelen dit jaar zal worden ingediend:

Aandelen aan toonder
Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 17 januari 2017 wordt het achterhalen van uiteindelijk belanghebbenden ook vergemakkelijkt door het stellen van nadere regels aan de houders van aandelen aan toonder. [13] Dit was ook één van de aanbevelingen van het Global Forum bij de eerste peer review van Nederland. In dit kader heeft het kabinet op 11 april tot 11 mei 2017 een internetconsultatie gehouden over een voorontwerp dat de identificatie van alle houders van aandelen aan toonder mogelijk maakt. De Minister van Veiligheid en Justitie streeft er naar het wetsvoorstel nog dit jaar bij de Tweede Kamer in te dienen.

Noot 13: Kamerstuk 25 087, nr. 138.

Dergelijke aandelen komen in het Nederlandse recht alleen bij naamloze vennootschappen voor, die een minderheid van de kapitaalvennootschappen uitmaken.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Naamloze vennootschap | Tags: | Een reactie plaatsen

De privacy van het handelsregister

Het handelsregister is een interessante bron van persoonsgegevens, zoals ik eerder memoreerde in een artikel over open data initiatieven. Zo nu en dan komt de privacy van het handelsregister ook in de rechtspraak aan de orde, recent in een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het betrof een strafzaak over het niet-inschrijven van een onderneming in het handelsregister, in strijd met de Handelsregisterwet 2007 en artikel 2 lid 1 van het Handelsregisterbesluit 2008. De verdachte (degene die met inschrijving nalatig was) heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de Kamer van Koophandel openbaar maken van bepaalde door verdachte verstrekte gegevens onrechtmatig is. Daartoe is namens verdachte aangevoerd dat de toepasselijke wetgeving in strijd is met het EVRM en dat er onvoldoende waarborgen zijn ter bescherming van de privacy van verdachte, dan wel dat indien en voor zover er wel waarborgen zijn, de Kamer van Koophandel deze waarborgen niet toepast. Ook is namens verdachte aangevoerd dat de verwerking van persoonsgegevens onrechtmatig is.

Dit standpunt was aanleiding voor het hof om het wettelijk kader uitvoerig te bespreken, met een voorspelbare uitkomst:

Wetgeving
Bij de beoordeling van het verweer van verdachte zijn onder meer de volgende wetsartikelen van belang:

Handelsregisterwet 2007:

Artikel 2
Er is een handelsregister van ondernemingen en rechtspersonen:
a. ter bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer;
b. voor de verstrekking van gegevens van algemene, feitelijke aard omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen ter bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening;
c. voor het registreren van alle ondernemingen en rechtspersonen als onderdeel van de gegevenshuishouding die bijdraagt aan het efficiënt functioneren van de overheid.

Artikel 9
In het handelsregister worden over een onderneming opgenomen:
a. een door een kamer toegekend uniek nummer;
b. de handelsnaam of de handelsnamen;
c. de datum van aanvang, voortzetting of beëindiging;
d. degene aan wie de onderneming toebehoort;
e. de vestigingen.

Artikel 10
1. In het handelsregister worden over degene aan wie een onderneming toebehoort, indien deze een rechtspersoon is, de in artikel 12 genoemde gegevens opgenomen.
2. In het handelsregister worden over degene aan wie een onderneming toebehoort, indien deze een natuurlijke persoon is, opgenomen:
a. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, het geslacht, de geboorteplaats en het geboorteland;
b. de naam;
c. het adres;
d. de geboortedatum;
e. de datum van overlijden.
[…].

Artikel 11
1. In het handelsregister worden over een vestiging van een onderneming opgenomen:
a. een door de Kamer toegekend uniek nummer;
b. de handelsnaam of handelsnamen;
c. het post- en bezoekadres;
d. de datum van ingebruikname en beëindiging.
2. Indien een onderneming meerdere vestigingen heeft, wordt in het handelsregister opgenomen welke vestiging de hoofdvestiging of de hoofdnederzetting is.

Artikel 21
1. De in artikel 9, 10, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, onderdeel e, onder 1°, eerste gedachtestreepje, 11, 12, 13, 14, 16, tweede lid, en 16a, eerste lid, genoemde gegevens, de in artikel 17, onderdeel a, bedoelde gegevens, en de krachtens wettelijk voorschrift gedeponeerde bescheiden kunnen door een ieder worden ingezien.
2. Een handtekening kan niet in elektronische vorm worden ingezien.

Artikel 22
1. De Kamer verstrekt op elektronisch verzoek, indien gewenst in elektronische vorm, een afschrift van of uittreksel uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 21.
2. De Kamer verstrekt op elektronisch verzoek gegevens van algemene, feitelijke aard omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen uit het handelsregister ter bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening. Bij het verstrekken van gegevens omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen worden deze gegevens niet gerangschikt naar natuurlijke personen.
3. Een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mede door een kamer in behandeling genomen indien het op andere dan elektronische wijze is gedaan.
4. In afwijking van het eerste lid verstrekt de Kamer een handtekening niet in elektronische vorm.

Artikel 23
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de personen die in het handelsregister staan ingeschreven voor daarbij aangewezen gegevens of bescheiden of categorieën van gegevens of bescheiden, beperkingen worden vastgesteld ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 21, 22 en 28.

Handelsregisterbesluit 2008:
Artikel 51
[…]
3. Het adres van een natuurlijk persoon kan op zijn verzoek worden afgeschermd tegen inzage door anderen dan bestuursorganen, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, advocaten, deurwaarders, notarissen en de in artikel 28, derde lid, van de wet genoemde organisaties, indien:
a. er sprake is van een waarschijnlijke dreiging;
b. het woonadres in het handelsregister niet kan worden ingezien met betrekking tot een andere onderneming;
c. betrokkene niet beschikt over een openbaar telefoonnummer;
d. deze persoon zelf maatregelen heeft genomen om de bekendheid van zijn adres te verminderen, en
e. het belang van afscherming zwaarder weegt dan de rechtszekerheid in het economisch verkeer.

Verstrekking van gegevens
Het hof stelt op grond van de hierboven weergegeven wetsartikelen het volgende vast. Van een natuurlijk persoon, aan wie een onderneming toebehoort, wordt in het handelsregister opgenomen het burgerservicenummer (hierna te noemen: BSN), het geslacht, de geboorteplaats, het geboorteland, de naam, het adres, de geboortedatum en (eventueel) de datum van overlijden. Van deze gegevens zijn alleen de naam, het adres, de geboortedatum en de datum van overlijden voor eenieder in te zien. Daarnaast kan onder bepaalde voorwaarden het adres van een natuurlijk persoon worden afgeschermd. Van een onderneming worden onder andere de handelsnaam, degene aan wie de onderneming toebehoort en de vestiging(en) geregistreerd. Over deze vestigingen wordt onder meer opgenomen het post- en bezoekadres. Al deze gegevens zijn ook voor eenieder in te zien. De gegevens worden door de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) op verzoek verstrekt.

Doelstelling
In artikel 2 Handelsregisterwet 2007 is als een van de doelstellingen opgenomen de bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer. In de memorie van toelichting van de Handelsregisterwet 2007 wordt ten aanzien van de doelstelling vermeld dat “het onderhavige register zowel het bijdragen aan het efficiënt functioneren van de overheid ten doel heeft als de doelen waarvoor het handelsregister indertijd is ingesteld. Deze laatste zijn bevordering van de rechtszekerheid in het economische verkeer en bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening. In het handelsregister zijn belangrijke gegevens over en voor ondernemingen en rechtspersonen vastgelegd, zoals bijvoorbeeld wie tekeningsbevoegd is. Door het toegankelijk maken van deze gegevens biedt het handelsregister rechtszekerheid bij het aangaan van overeenkomsten, met zowel leveranciers als afnemers.” Over het openbaar maken van de gegevens wordt het volgende vermeld: “het beginsel van openbaarheid vloeit logisch voort uit een van de functies van het register namelijk het bevorderen van de rechtszekerheid in het economisch verkeer en het bevorderen van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening.” Tot slot wordt vermeld dat “het beginsel van openbaarheid geldt ten aanzien van alle ondernemingen en rechtspersonen die in het register zullen zijn opgenomen, dus ook voor organisatievormen of rechtsvormen die thans niet zijn opgenomen in het handelsregister, zoals eenmanszaken in de landbouw en vrije beroepsbeoefenaren. In de geschiedenis van de Handelsregisterwet 1996 is de kring van ingeschrevenen vaker vergroot […]. Destijds is besloten ten aanzien van openbaarheid geen uitzonderingspositie te creëren. Ook thans is geen aanleiding om ten aanzien van ondernemingen en rechtspersonen die nieuw zullen worden opgenomen in het register, een andere koers te varen.”

Op basis daarvan komt de rechter tot het volgende oordeel:

Toegepast op het onderhavige geval stelt het hof vast dat verdachtes naam, privéadres en geboortedatum in het handelsregister geregistreerd worden en voor eenieder op verzoek ingezien kunnen worden. Van zijn onderneming kan ook het post- en bezoekadres worden ingezien, welke, volgens de verklaring van verdachte, hetzelfde is als zijn privéadres. Het privéadres van verdachte kan onder bepaalde voorwaarden op grond van artikel 51 van het Handelsregisterbesluit worden afgeschermd, zodat het niet door eenieder kan worden ingezien.
Ten aanzien van de verkoop van de bij de KvK geregistreerde gegevens betreffende verdachte aan adverteerders, zoals door de raadsman is aangevoerd, wijst het hof op de brief van de Kamer van Koophandel aan verdachte van 2 december 2009, die door verdachte aan het hof is verstrekt. In deze brief wordt vermeld dat verdachtes adres niet zal worden verstrekt aan derden voor mailingdoeleinden, indien hij dit bij inschrijving in het register aangeeft.

Artikel 8 EVRM
Het openbaar maken van de hierboven genoemde gegevens kan een inmenging zijn op het in artikel 8 EVRM vastgelegde recht op privéleven. Deze inmenging kan gerechtvaardigd zijn als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van bepaalde in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde gronden.
De inmenging in het privéleven is bij wet voorzien. Naar het oordeel van het hof is, in het licht van de in de memorie van toelichting van de Handelsregisterwet 2007 genoemde doelstellingen, de inmenging noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn. Uit de memorie van toelichting blijkt, dat aan het opnemen en openbaar maken van gegevens een belangenafweging ten grondslag heeft gelegen en dat de wetgever welbewust heeft gekozen voor de huidige regeling, die ook inhoudt dat bepaalde gegevens betreffende eenmanszaken openbaar zijn. De wetgever is daarbij kennelijk van oordeel geweest dat de daarmee gepaard gaande inbreuk op grondrechten van burgers gerechtvaardigd wordt door en niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te bereiken doelstellingen. Ook worden niet zonder meer alle gegevens openbaar gemaakt, maar heeft de wetgever een keuze gemaakt welke gegevens openbaar zijn en is voorzien in de mogelijkheid om bepaalde gegevens af te schermen, indien het openbaren daarvan een disproportionele inbreuk op het privéleven van een betrokkene zou maken.

Naar het oordeel van het hof is, gelet hier op, niet gebleken dat er sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op het recht op privacy, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM.

De enkele omstandigheid dat, zoals is aangevoerd door de verdediging, in het handelsregister ook gegevens van bijvoorbeeld katvangers kunnen staan, maakt niet dat de doelstelling van het register in zijn geheel niet meer gediend zou kunnen worden met de openbaarheid van het register. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat door kwaadwillenden misbruik gemaakt zou kunnen worden van de voor eenieder verkrijgbare gegevens.

Verwerken van persoonsgegevens
Het recht op bescherming van persoonsgegevens is onder andere vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en in artikel 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het recht is uitgewerkt in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Volgens artikel 6 Wbp worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt. Artikel 7 Wbp bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verwerkt. Op grond van artikel 8 sub c Wbp mogen persoonsgegevens worden verwerkt indien dit noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke is onderworpen.

Het hof neemt in aanmerking het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 maart 2017 (zaak C-398/15, ECLI:EU:C:2017:197). In rechtsoverweging 32 overweegt het Hof dat “uit artikel 2, lid 1, onder d), van richtlijn 68/151 volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt voor […] de identiteit van de personen die […] de bevoegdheid hebben de betrokken vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen […].” Uit artikel 3 van dezelfde richtlijn volgt daarnaast dat deze gegevens ingeschreven worden in een handelsregister en moet een volledig of gedeeltelijk afschrift van de gegevens op aanvraag verkrijgbaar zijn.

Vervolgens overweegt het Hof van Justitie dat de bovengenoemde verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming is met een aantal in artikel 7 van richtlijn 95/46 neergelegde toelaatbaarheidsgronden, “namelijk de onder c) genoemde grond met betrekking tot het nakomen van een wettelijke verplichting, de onder e) genoemde grond met betrekking tot de uitoefening van het openbaar gezag of de vervulling van een taak van algemeen belang, en de onder f) genoemde grond met betrekking tot de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derden aan wie de gegevens worden verstrekt.”

Naar het oordeel van het hof zijn voorgaande overwegingen mutatis mutandis van toepassing op de openbaarmaking van gegevens betreffende een natuurlijk persoon die een onderneming drijft.
De verwerking van persoonsgegevens door de KvK is, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven met betrekking tot de doelstelling van de Handelsregisterwet en het doel van de verwerking, de in de wet vervatte waarborgen, de geboden mogelijkheid tot inzage, correctie en verwijdering van persoonsgegevens en het hierboven aangehaalde arrest van het Hof van Justitie, niet onrechtmatig jegens verdachte.
In het licht van het voorgaande is het hof tevens van oordeel dat er geen grond is voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Vervolgens volgt veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke geldboete.


Aanvulling 8 november 2017

Zie over de privacy van het handelsregister ook het WPNR themanummer privacy en openbare registers van 4 november 2017. In dat nummer artikelen door A. Berlee, I.J. Kloek-Tromp, B. Snijder-Kuipers, H. Koster en S. Brijs/N. Van Landuyt.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Fonds voor gemene rekening | beginnerscursus belastingrecht voor leden van de tweede kamer

Terwijl er nog steeds geen duidelijkheid is over de implementatie van 4e Europese Antiwitwasrichtlijn (AMLD4) in Nederland, wordt er al wel nagedacht over vormen die niet de nadelen hebben van kapitaalvennootschappen.

Sommigen denken dat het “fonds voor gemene rekening” (“FGR”), een puur fiscaal fenomeen (het is geen civielrechtelijke rechtsvorm), een oplossing is voor de privacy problemen van vermogenden als gevolg van AMLD4. Inmiddels zijn er kamervragen over gesteld, de kamerleden denken dat het fonds ook voor fraude gebruikt kan worden. Het lijkt er op dat er naar “de bekende weg” wordt gevraagd.

Op 18 september jl. zijn de vragen door de minister van financiën beantwoord; een mooie beginnerscursus fiscaal recht. Zo schrijft de minister:

Een fonds voor gemene rekening is een samenwerkingsverband tussen participanten (hierna wordt uitgegaan van natuurlijke personen) ter verkrijging van voordelen voor de participanten door het voor gemene rekening beleggen van gelden. Een fonds voor gemene rekening heeft geen specifieke rechtsvorm en komt tot stand bij overeenkomst, waarbij geen notariële akte vereist is. In het spraakgebruik wordt onderscheid gemaakt tussen ‘open’ en ‘besloten’ fondsen voor gemene rekening. Een besloten fonds voor gemene rekening is fiscaal transparant. Dat wil zeggen dat het fonds als zodanig niet zelfstandig belastingplichtig is, maar de participanten in het fonds wel. De participanten zijn dan over het algemeen belastingplichtig in box 3.
De fondsen zoals hier aan de orde betreffen zogenoemde ‘open’ fondsen voor gemene rekening. Open fondsen voor gemene rekening missen weliswaar rechtspersoonlijkheid maar onderscheiden zich in financieel-economisch opzicht niet wezenlijk van naamloze vennootschappen die het beleggen van gelden in effecten of vastgoed ten doel hebben. [3] De open fondsen voor gemene rekening zijn dan ook vanwege de beoogde neutraliteit van belastingheffing ten opzichte van beleggingsmaatschappijen (die wel rechtspersoonlijkheid bezitten) al sinds 1969 belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Sinds de invoering van de Wet op de vennootschapsbelasting in 1969 is de behandeling van het fonds voor gemene rekening niet inhoudelijk gewijzigd. De participanten in een open fonds voor gemene rekening met belangen van 5% of meer zijn belastingplichtig in box 2. [4]
Er is sprake van een open fonds voor gemene rekening als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden die worden gesteld in wet- en regelgeving [5]:

a. Er moet sprake zijn van een fonds (in beginsel een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid).
b. Het doel moet zijn het verkrijgen van voordelen voor de deelgerechtigden.
c. Het moet voor gemene rekening zijn. Dit brengt een collectiviteit tot uitdrukking, dat wil zeggen dat er minimaal twee participanten zijn, die gelden of andere activa bijeenbrengen.
d. Het bezit van het vermogen is gericht op het verkrijgen van rendementen, via beleggen of het anderszins aanwenden van gelden.
e. Bewijzen van deelgerechtigdheid zijn verhandelbaar; voor de vervreemding (van het bewijs) is niet de toestemming vereist van alle deelgerechtigden. Als uitsluitend aan het fonds zelf kan worden vervreemd, of aan bloed- en aanverwanten in de rechte linie, is geen sprake van verhandelbaarheid.

Een fonds meldt zich bij de Belastingdienst voor het verkrijgen van een fiscaal nummer. De Belastingdienst toetst dan of materieel aan voorstaande voorwaarden wordt voldaan. Alleen als aan de eerste vier voorwaarden wordt voldaan is sprake van een fonds voor gemene rekening en indien wordt voldaan aan de laatste voorwaarde (de bewijzen van deelgerechtigdheid zijn vrij verhandelbaar), is sprake van een open fonds voor gemene rekening. Het open fonds voor gemene rekening wordt dan geregistreerd en krijgt een fiscaal nummer toegekend. Indien de bewijzen van deelgerechtigdheid niet vrij verhandelbaar zijn, is er sprake van een besloten fonds voor gemene rekening.

Noten

[3] Kamerstukken 1967/68, 6000, nr. 18.
[4] Bij een belang van minder dan 5% vormen de participaties box 3-vermogen.
[5] Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en het besluit van de Minister van Financiën van 11 januari 2007/nr. CPP2006/1870M (Stcrt. 2007, nr. 15, p. 8-9), zoals dat luidt na de wijzigingen van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 2015/ nr. BLKB2015/1511M (Stcrt. 2015 nr. 46505).Dit besluit geeft op basis van de parlementaire geschiedenis duidelijkheid voor de uitvoeringspraktijk over enerzijds het begrip fonds voor gemene rekening en anderzijds de wijze van vrije overdraagbaarheid in verschillende situaties, waaronder het zogenoemde stapelen van fondsen.

Vervolgens legt de minister de fiscale aspecten van het fonds voor gemene rekening uit. Vreemd dat dit nodig is, nu er uitgebreide fiscale literatuur beschikbaar is. Van belastingadviseurs hoor ik dat de fiscale kennis van kamerleden onder de maat is. Deze vragen en de beantwoording ervan lijken dat te bevestigen.

Ubo-register

Het aspect van privacy en ubo-register wordt ook door de minister besproken. De minister deelt mee dat op dit moment wordt onderzocht of de verplichting tot het registreren van ubo-informatie ook moet gaan gelden voor fondsen voor gemene rekening. Het is niet ondenkbaar dat dit gaat gebeuren, aangezien het begrip ubo (uiteindelijk belanghebbende) zich ook uitstrekt tot mensen die geen financieel belang bij een rechtspersoon hebben (bijvoorbeeld bestuurders van ziekenhuizen in de vorm van een stichting), zodat de creatieve wetgever er vast niet voor terugdeinst iemand als ubo te registreren die financieel belang heeft bij iets wat geen rechtspersoon is.

De minister schrijft het volgende over FGR en ub0-register:

Uit de media en uit informatie op websites van belastingadviseurs valt op te maken dat het UBO- register mogelijk aanleiding kan vormen om een fonds voor gemene rekening op te richten. Daarbij lijken met name privacyoverwegingen een rol te kunnen spelen. Zoals ook hiervoor is toegelicht, wordt momenteel onderzocht of de verplichting tot het registreren van UBO-informatie ook moet gaan gelden voor fondsen voor gemene rekening.

Het streven is dat in de zomer van 2018 het Nederlandse UBO-register operationeel is. Een concept wetsvoorstel voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden is recent geconsulteerd. Op dit moment worden alle consultatiereacties zorgvuldig bestudeerd en verwerkt. Verwacht wordt dat het UBO-wetsvoorstel begin 2018 aan de Tweede Kamer kan worden toegezonden.
De verplichting tot het registreren van informatie over uiteindelijk belanghebbenden in een centraal register vloeit voort uit de vierde Europese anti-witwasrichtlijn. De implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn heeft in verschillende lidstaten, waaronder Nederland, vertraging opgelopen, waardoor de implementatietermijn van 26 juni 2017 niet is gehaald. De invoering van het UBO- register is een omvangrijk project – met een grote ICT-component – dat de nodige tijd kost. Hierbij zij opgemerkt dat in het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie dat strekt tot wijziging van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn onder meer is voorgesteld om de bepalingen met betrekking tot het UBO-register te herzien. In de onderhandelingen over dit richtlijnvoorstel, die zich in de zogenoemde triloogfase bevinden, wordt ook gesproken over een langere implementatietermijn ten aanzien van de verplichting om informatie over uiteindelijk belanghebbenden te registreren. [11]

[11] Dit maakt deel uit van het Raadscompromis met betrekking tot dit richtlijnvoorstel waarover op 20 december 2016 in Coreper overeenstemming is bereikt. Het Raadscompromis is beschikbaar via: http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/12/20-money-laundering-and-terrorist-financing/?utm_source=dsms-auto&utm_medium=email&utm_campaign=Money+laundering+and+terrorist+financing%3a+Council+agrees+its+negotiating+stance

Meer informatie

  • Gestelde kamervragen zonder antwoord,  1, 2 en 3.
  • Beantwoording kamervragen, 1, 2

Dit artikel is ook verschenen op het ubo-register weblog.

 

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: , , | Een reactie plaatsen