KNB en NOVA: de nieuwe Corporate Governance Code is niet bedoeld een juridisch document te zijn

De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en de Nederlandse Orde van Advocaten heeft advies uitgebracht over de nieuwe corporate governance code.

Notarissenorganisatie KNB schrijft als volgt:

‘Nieuwe Corporate Governance Code moet basis bieden voor dialoog’
19-04-2016

De nieuwe Corporate Governance Code is niet bedoeld een juridisch document te zijn. Het moet een basis bieden voor dialoog. Dit schrijft de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) in een reactie (pdf) op het voorstel voor een nieuwe code. De Monitoring Commissie Corporate Governance Code zal zich over de input beraden en wil nog voor de zomer haar definitieve advies uitbrengen.

De Corporate Governance Code is in 2003 vastgesteld en in december 2008 voor het laatst herzien. Deze code is van toepassing op Nederlandse beursvennootschappen en bevat principes en best practice bepalingen over de governance van beursvennootschappen en de verantwoording daarover aan aandeelhouders. De GCV kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel. Het was voor de GCV niet nodig om de code een geheel nieuwe indeling en opzet te geven. Desalniettemin vindt de GCV het een goed voorstel om tot een aangepaste tekst te komen. Sinds 2008 zijn er op het vlak van corporate governance de nodige ontwikkelingen geweest. De code is een levend document dat als regel eens in de drie jaar geëvalueerd zou moeten worden.

Kanttekeningen
De GCV plaatst een aantal kanttekeningen bij het voorstel. De code dient geen regelingen te bevatten waarin al is voorzien in wet- en regelgeving. Die lijn moet consequent worden doorgetrokken door de hele code. Verder moet het zelfregulerende karakter van de code voorop blijven staan. Die is in de ogen van de GCV bedoeld om een dialoog te faciliteren tussen bestuur, raad van commissarissen en aandeelhouders. In de praktijk is de code echter steeds verder gejuridiseerd.

Meer informatie:

Geplaatst in Bestuur en toezicht, Naamloze vennootschap | Tags: , , | Een reactie plaatsen

KNB: Kamer voor motie centraal aandeelhoudersregister

De KNB volgt de ontwikkelingen rondom ubo-register en centraal overheidsregister van aandeelhouders op de voet. Op 5 april jl. verscheen onderstaand bericht:

Kamer voor motie centraal aandeelhoudersregister

05-04-2016

De regering moet de voorbereidingen voor het centraal aandeelhoudersregister (CAHR) voortzetten en bewerkstelligen dat dit register er komt. Een Kamermeerderheid steunde vanmiddag een motie met deze strekking van de Kamerleden Recourt (PvdA) en Gesthuizen (SP).

Onlangs heeft minister Dijsselbloem van Financiën mede namens minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie en minister Kamp van Economische Zaken aan de Tweede Kamer geschreven dat de ontwikkeling van het CAHR wordt aangehouden totdat het UBO-register verder is ontwikkeld. De Tweede Kamer is echter in meerderheid van mening dat het CAHR naast het UBO-register of in combinatie daarmee meerwaarde heeft als het gaat om het opsporen van misdrijven via bv’s of niet-beursgenoteerde nv’s. De Kamer heeft de regering daarom vanmiddag verzocht de voorbereidingen voor het CAHR voort te zetten en te bewerkstelligen dat dit register, al dan niet in combinatie met het UBO-register, er gaat komen.

Denkproces
Tijdens een recent algemeen overleg over fraude stelden diverse partijen (PvdA, SP en D66) al dat de verdere ontwikkeling van het CAHR niet moet worden uitgesteld tot na invoering van het UBO-register. Minister Van der Steur gaf aanvankelijk aan dat het CAHR niet is afgesteld, maar is uitgesteld. Het UBO-register moet op 26 juni 2017 gereed zijn. Daarom wordt hieraan voorrang gegeven. Na invoering hiervan wordt gekeken op welke punten het CAHR een meerwaarde heeft ten opzichte van het UBO-register. In de tweede termijn gaf de minister aan dat met het denkproces over het CAHR niet zal worden gewacht tot na 26 juni 2017, zodat daarna meteen met het CAHR aan de slag kan worden gegaan.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: | Een reactie plaatsen

KNB over bestuursverbod en administratieplicht (bestrijding faillissementsfraude)

Naar aanleiding van het door de Eerste Kamer aannemen van de wetsvoorstellen inzake bestuursverbod en administratieplicht (bestrijding faillissementsfraude) laat notarissenorganisatie KNB het volgende weten:

Eerste Kamer steunt aanpak faillissementsfraude
06-04-2016

Minister Ard van der Steur van Veiligheid en Justitie heeft woensdag een nieuwe stap kunnen zetten in de aanpak van faillissementsfraude. De Eerste Kamer stemde in met de wetsvoorstellen civielrechtelijk bestuursverbod en herziening strafbaarstelling faillissementsfraude. Beide maatregelen maken onderdeel uit van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’ en treden naar verwachting op 1 juli 2016 in werking.
Met de Wet civielrechtelijk bestuursverbod kan een bestuurder die faillissementsfraude heeft gepleegd of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, in aanloop naar een faillissement een bestuursverbod worden opgelegd van maximaal vijf jaar. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten. De Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude verruimt de strafrechtelijke mogelijkheden om effectiever en harder op te treden tegen frauduleuze faillissementen. Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt ‘terugrechercheren’ moeilijk. Om faillissementsfraude beter te kunnen aanpakken, komt er daarom onder andere een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement.

Rol notaris
De notaris en de Kamer van Koophandel krijgen een rol bij de handhaving van het civielrechtelijk bestuursverbod. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen. Omdat bestuursverboden zullen worden ingeschreven bij het Handelsregister kunnen de notaris en de Kamer van Koophandel eenvoudig online nagaan of een persoon die een onderneming wil oprichten of als bestuurder wil worden ingeschreven een bestuursverbod heeft.

Centraal aandeelhoudersregister
Voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB heeft daarom gepleit voor invoering van een civielrechtelijk bestuursverbod. Verder is de KNB groot voorstander van een centraal aandeelhoudersregister (CAHR). Ook dit is een belangrijk hulpmiddel bij de voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. Ook de Tweede Kamer is in meerderheid van mening dat het CAHR, naast het UBO-register of in combinatie daarmee, meerwaarde heeft als het gaat om het opsporen van misdrijven via bv’s of niet-beursgenoteerde nv’s. De Kamer heeft de regering daarom op dinsdag 5 april verzocht de voorbereidingen voor het CAHR voort te zetten en te bewerkstelligen dat dit register, al dan niet in combinatie met het UBO-register, er gaat komen.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Accountant en ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuurdersaansprakelijkheid, Bestuursverbod | Tags: | Een reactie plaatsen

Nieuwe strafrechtelijke regels inzake boekhoudplicht aangenomen door de Eerste Kamer

Enige tijd geleden is een wetsvoorstel ingediend, onder de titel “herziening strafbaarstelling faillissementsfraude”, waarin een aanvulling werd voorgesteld op de regels die in het civiele recht gelden op het gebied van boekhouding en administratie. Onlangs is deze wet door de Eerste Kamer aangekomen.

Deze wet is van belang voor bestuurders en commissarissen van rechtspersonen, onder meer omdat de wet veronderstelt dat ieder van hen in staat is om aan de curator in het faillissement van de rechtspersoon de administratie verschaffen en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, alles in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken.

Voorts biedt de wet de mogelijkheid om bestuurders en commissarissen te straffen in situaties dat zij medewerking hebben verleend of toestemming hebben gegeven voor het buitensporig verbruiken, uitgeven of vervreemden van middelen van de rechtspersoon. Dit is een nadere invulling van de civielrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur. Interessant zal zijn hoe snel die ‘medewerking’ of ‘toestemming’ wordt aangenomen.

Voorts is bijzonder aan de wet, dat de wet ook geldt voor leidinggevenden die geen statutair bestuurder zijn, “zij die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon“, wat een veel ruimere categorie is dan de beleidsbepalers die we in het civiele recht kennen. De wet is voorts van toepassing op “bestuurders” van een vennootschap onder firma en van een commanditaire vennootschap, ook al kennen deze rechtsvormen geen bestuurders (alleen vennoten).

Een wet om rekening mee te houden!

Belangstellende leidinggevenden en toezichthouders doen er goed aan de bijeenkomst die Pellicaan Advocaten binnenkort houdt over bestuurdersaansprakelijkheid bij te wonen.

Meer informatie:

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarstukken en financiële verantwoording, Leidinggevenden aansprakelijkheid | Tags: | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel bestuursverbod door Eerste Kamer aangenomen

Uit het nieuwsbericht van de rijksoverheid blijkt dat het wetsvoorstel inzake het bestuursverbod door de Eerste Kamer als hamerstuk is aangenomen.

Het laatste inhoudelijke kamerstuk is de nadere memorie van antwoord van 21 maart jl., waarin het volgende is opgenomen:

2. Civielrechtelijke gevolgen van het bestuursverbod

De leden van de VVD-fractie hebben in het verslag de vraag gesteld waarom het bestuursverbod niet ook kan worden opgelegd aan commissarissen, maar alleen aan statutair en feitelijk bestuurders. Zij kunnen de reactie van de regering hierop in de memorie van antwoord niet goed plaatsen, en wijzen daarbij op artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW) – hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement wegens onbehoorlijk bestuur – die via de schakelbepaling van artikel 2:259 BW ook geldt voor commissarissen. Zij vragen de regering om nadere uitleg waarom het bestuursverbod niet ook van toepassing is op commissarissen.

Artikel 2:248 BW is inderdaad van overeenkomstige toepassing op commissarissen, maar heeft voor de commissaris inhoudelijk een andere betekenis dan voor een bestuurder, omdat de taak van de commissaris een geheel andere is (prof. M.L. Lennarts, Ondernemingsrecht, Tekst & Commentaar, 2014, aantekening bij art. 2:259 BW, blz. 634). Zijn kerntaak is, samengevat, om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming(en) alsmede om het bestuur met raad ter zijde te staan (art. 2:250 lid 2 BW). Daarmee staat de commissaris meer op afstand van een onderneming, terwijl de bestuurder juist bij uitstek verantwoordelijk is en direct invloed heeft op de dagelijkse gang van zaken en het beleid van een onderneming. Daar komt bij dat in veel gevallen van faillissementsfraude blijkt dat deze bewust wordt begaan met behulp van een rechtspersoon die juist geen raad van commissarissen kent. Op grond hiervan meent de regering dat het gerechtvaardigd is om de bestuurder als aangrijpingspunt voor de oplegging van een bestuursverbod centraal te stellen. Wordt een bestuursverbod opgelegd dan betekent dit, tenzij de rechter anders bepaalt, tevens het einde van de commissariaten die betrokkene elders mocht hebben evenals een beletsel om tijdens de duur van het bestuursverbod ergens commissaris te worden (aldus het voorgestelde artikel 106b Faillissementswet). In zoverre raakt het wetsvoorstel ook commissarissen, die zich als bestuurder van een andere vennootschap schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid en daarom een bestuursverbod hebben gekregen. Hoewel de regering meent dat het kwalitatieve onderscheid tussen «bestuurder» en «commissaris» rechtvaardigt dat het wetsvoorstel nu alleen op bestuurders ziet, heeft zij begrip voor de zorgen van de VVD-fractie. De regering heeft daarom op verzoek van de VVD-fractie tijdens de behandeling in de Tweede Kamer een wetsvaluatie na vijf jaar toegezegd (Handelingen Tweede Kamer, 17 juni 2015, p. 97-6-20) en voorts de bereidheid uitgesproken om daarbij de vraag te betrekken of er aanleiding kan zijn om voor gevallen van wanbeleid ook voor commissarissen in de mogelijkheid van een bestuursverbod te voorzien (Kamerstukken I 2015/16, 34 011, nr. B).

De leden van de SP-fractie vragen of bestuurders de dans ontspringen als naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen, zoals een limited liability company of private limited company, hun statutaire zetel na oprichting hebben verplaatst naar Nederland, dan wel feitelijk in Nederland gevestigd zijn.

Verplaatsing van de statutaire zetel van een buitenlandse rechtspersoon naar Nederland veronderstelt omzetting in een Nederlandse rechtspersoon, bijvoorbeeld een besloten vennootschap. Dan vindt deze wet onverkort toepassing (artikel 106a Fw). Wil een buitenlandse rechtspersoon in Nederland economisch actief worden en is er sprake van een bestuurder aan wie in Nederland een bestuursverbod is opgelegd, dan zal inschrijving in het Handelsregister door de Kamer van Koophandel worden geweigerd. Het Handelsregisterbesluit 2008 wordt in die zin aangepast (Kamerstukken II 2013/14, 34 011, nr. 3, p. 6). Daarentegen staat het territorialiteitsbeginsel er aan in de weg dat een bestuursverbod wordt opgelegd aan bestuurders van een buitenlandse vennootschap. In dergelijke grensoverschrijdende gevallen kan, in het kader van de interne markt, alleen een Europese oplossing uitkomst bieden. Nederland heeft dit belangrijke aspect tijdens de onderhandelingen over een nieuwe Europese insolventieverordening met succes Europees weten te agenderen. Afgesproken is dat de Europese Commissie onderzoek zal doen naar de grensoverschrijdende aspecten van bestuursverboden en daarover nog dit jaar zal rapporteren (art. 90 lid 3 van Verordening nr. 2015/848 van 20 mei 2015, Pb. L 141). Het parlement zal hierover op de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd.

3. Registratie

De leden van de VVD-fractie vragen op grond van welke titel de gegevens over verstreken bestuursverboden voor instanties, zoals Justis, langer dan 5 jaar beschikbaar blijven. Ook vragen zij naar de maximale bewaartermijn alsmede of er ook andere instanties zijn voor wie de historische gegevens inzake bestuursverboden beschikbaar blijven en, zo ja, wat dan de juridische titel is.

De historische gegevens inzake bestuursverboden zullen onder meer beschikbaar blijven, naast Justis, voor de rijksbelastingdienst, het openbaar ministerie, de Autoriteit Consument en Markt alsmede voor de Autoriteit Financiële Markten. In de aangekondigde wijziging van de Handelsregisterwet zal daarvoor een wettelijke grondslag worden opgenomen. Bij die gelegenheid zal ook worden voorzien in een bewaartermijn. Daartoe zal worden aangesloten bij de termijn van acht jaar, overeenkomstig artikel 9 lid 1 van de Wet controle op rechtspersonen.

De leden van de VVD-fractie vragen verder naar de huidige status van het centrale aandeelhoudersregister, wanneer daarover besluitvorming kan worden verwacht en hoe deze moet worden gezien in relatie tot het UBO-register.

Bij brief van 10 februari 2016 heeft de Minister van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken. De gelijktijdige ontwikkeling van het aandeelhouders- en het UBO-register leidt tot knelpunten in de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid. Omdat de ontwikkeling van het UBO-register berust op een afdwingbare Europeesrechtelijke verplichting waarvoor een implementatietermijn is bepaald, wordt voorrang gegeven aan dit register. De ontwikkeling van het centraal aandeelhoudersregister wordt aangehouden totdat het UBO-register verder is ontwikkeld (Kamerstukken II 2015/16, 31 477, nr. 10).

4. Uitvoering en handhaving

De leden van de fractie van de SP merken op dat juridische procedures over de oplegging lang kunnen duren, waardoor het ook lang kan duren voordat de inschrijving van een bestuursverbod in het Handelsregister daadwerkelijk kan plaatsvinden. Is er, zo vragen zij, nagedacht over de mogelijkheid om een bestuursverbod via een voorlopige voorziening op te leggen, mede omdat kwaadwillende bestuurders in een periode van 3 tot 4 jaar veel schade kunnen veroorzaken?

Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat alleen bestuursverboden bij het Handelsregister worden geregistreerd als zij onherroepelijk zijn opgelegd. Daarmee wordt het bezwaar voorkomen, dat ook in de consultatie door onder meer de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad voor de rechtspraak is gesignaleerd, dat iemand naar achteraf blijkt ten onrechte met een bestuursverbod in het centrale register is opgenomen, omdat hij in hoger beroep alsnog in het gelijk is gesteld. Daardoor zou hij onnodig in zijn persoonlijke levenssfeer worden geschaad, hetgeen op gespannen voet zou staan met, in het bijzonder, artikel 8 EVRM.1 Ten algemene kan een civielrechtelijk bestuursverbod daarom ook niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 106b lid 6 Fw). Los daarvan staat de mogelijkheid voor de rechter om een bestuurder in incidentele gevallen en bijzondere omstandigheden desgevorderd voor de duur van het geding te schorsen. Deze schorsing wordt in het handelsregister ingeschreven (artikel 106c, leden 4–6, Fw). Daarbij kan de rechter, zoals de aan het woord zijnde leden lijken te veronderstellen, inderdaad het risico laten meewegen die iemand zijn malafide activiteiten gedurende de procesgang blijft of gaat voortzetten.

De leden van de fractie van de SP vragen verder of het kan voorkomen dat de rechter-commissaris in het faillissement op een later tijdstip als (zittings-)rechter moet beslissen op een vordering/verzoek tot een bestuursverbod van een curator in een hetzelfde faillissement. Zij zouden dit ongewenst achten.

De regering deelt de mening van de leden van de SP-fractie. Ook wat haar betreft is het onwenselijk dat een rechter, die aanvankelijk toezicht heeft gehouden op de afwikkeling van een faillissement, nadien deel uitmaakt van het rechterlijk college dat zich moet uitspreken over een vordering tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod. Het is een zaak van iedere rechtbank om hieraan vorm te geven.

De leden van de fractie van de SP vragen voorts of de fiscale geheimhoudingsplicht de voorziene levering van onherroepelijke opgelegde boeten wegens bepaalde vergrijpen door de Belastingdienst aan de curator of het OM doorkruist.

Doordat een wettelijk voorschrift, namelijk het voorgestelde artikel 106a, derde lid, Fw, tot bekendmaking van deze gegevens verplicht als het openbaar ministerie of de curator daarom verzoekt, is op grond van artikel 67, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geen sprake van doorkruising van de fiscale geheimhoudingsplicht.

De leden van de SP-fractie vragen in verband hiermee of is nagedacht over een actievere rol van de Belastingdienst door het spontaan verstrekken van informatie over fiscale vergrijpboetes aan de curator of het OM in geval van faillissement.

Vanwege de wettelijke plicht van de Belastingdienst om de betrokken gegevens te verstrekken als het openbaar ministerie of de curator daarom verzoekt, wordt een verdergaande regeling niet nodig geacht.

De leden van de SP vragen ook of is stilgestaan bij de mogelijkheid dat ook de Belastingdienst een verzoek kan doen tot oplegging van een bestuursverbod.

Formeel is de mogelijkheid daartoe nu alleen voorbehouden aan de curator en het openbaar ministerie (artikel 106a Fw). De Belastingdienst kan echter, als schuldeiser, in overleg treden met de curator als de Belastingdienst het wenselijk acht dat oplegging van een bestuursverbod wordt gevorderd. Ziet de curator daarvan af, dan kan de Belastingdienst zich op grond van artikel 69 Faillissementswet tot de rechter-commissaris wenden. Na de curator gehoord te hebben, beslist de rechter-commissaris of de curator al dan niet de opdracht krijgt om een vordering tot het opleggen van een bestuursverbod in te stellen. Deze mogelijkheid is niet exclusief voorbehouden aan de Belastingdienst, maar staat op zich ter beschikking van alle crediteuren (Kamerstukken II 2013/14, 34 011, nr. 3, p. 4).

Voorts vragen de leden van de fractie van de SP hoe vorm wordt gegeven aan het toezicht op de naleving van het bestuursverbod.

Het toezicht op de naleving van het bestuursverbod krijgt allereerst vorm via de notaris en de Kamer van Koophandel. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen. Ook moet de Kamer van Koophandel onherroepelijk opgelegde bestuursverboden in een openbaar register opnemen, en betrokkene als bestuurder en, in voorkomend geval, commissaris in het Handelsregister doorhalen. Ook de openbaarheid van het register met bestuursverboden en de daaraan inherente transparantie in het handelsverkeer voor marktpartijen dragen aan de handhaving bij. Ten slotte kan de rechter voorzien in sanctionering van het bestuursverbod via oplegging van een dwangsom (vgl. m.n. artikel 106b leden 3 en 5 Fw). Naar het oordeel van de regering is de handhaving van het bestuursverbod met dit samenstel van maatregelen adequaat verzekerd.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van de SP naar de mogelijkheden om een dwangsom te gelde te maken bij overtreding van een bestuursverbod. Moet het openbaar ministerie, zo vragen zij, hiervoor een verzoek indienen bij de rechtbank, of zijn andere partijen, zoals de Kamer van Koophandel, aan zet?

Op grond van het voorgestelde artikel 106b lid 5 Fw komt een dwangsom die wordt verbeurd toe aan de boedel of, als daarvan geen sprake is, aan de staat. Het boedelbelang staat uiteraard voorop; de staat komt slechts in beeld als een dwangsom wordt verbeurd (geruime tijd) nadat de boedel is afgewikkeld. Het betreft hier een civielrechtelijke dwangsom, waarvoor de artikelen 611a e.v. Wetboek van rechtsvordering gelden. Inherent aan de formulering van artikel 106b lid 5 Fw is dat betaling van een dwangsom kan worden gevorderd door de curator ofwel, in voorkomend geval, de Staat. Een dwangsom verjaart zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is (artikel 611g Wetboek van Rechtsvordering).

Meer informatie:

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuursverbod | Een reactie plaatsen

Bressers van EZ: Ondernemingsdossier op de schop: ‘Het roer moet om’

Uit het artikel voor iBestuur door Nicole van der Steen blijkt dat volgens Mark Bressers, directeur Regeldruk en ICT-beleid bij Economische Zaken, het Ondernemingsdossier niet goed functioneert.

Zij citeert Bressers:  “De digitale voorzieningen voor bedrijven en met name het Ondernemingsdossier moeten anders.

Een ander citaat: “Alle milieugerelateerde onderwerpen voor ondernemers staan bijvoorbeeld op één plek. Voor een aantal branches werkt het. Maar je wilt niet weten wat het kost aan investeringen om op deze manier verder te gaan. Het werd een te zwaar systeem voor een te kleine groep.

Het artikel illustreert de ondoordachte en onberaden digitaliseringsdrift van de rijksoverheid. Het is te hopen dat nieuwe projecten, zoals het ubo-register en het overheidsregister van aandeelhouders beter worden aangepakt.

Vindplaats artikel: hier

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , | Een reactie plaatsen

Niet langer inhoudingsplicht loonheffing inzake toezichthouders

De inhoudingsplicht voor de loonheffing kent op dit moment het merkwaardige fenomeen dat de rechtspersoon waarbij een persoon commissaris of toezichthouder is, loonheffing over de vergoeding moet inhouden op grond van de aanwezigheid van een ‘fictieve dienstbetrekking’. Daar komt per 1 mei 2016 een einde aan, zo blijkt uit diverse berichten.
Meer informatie in dit bericht van de loonheffingspecialisten van Mazars.

Geplaatst in Beloning bestuurders en toezichthouders, Fiscaal overig | Tags: | Een reactie plaatsen

Basisregistraties Kadaster en KvK steeds verder gekoppeld

Uit een bericht van het Kadaster blijkt dat 59% van de niet-natuurlijke personen inmiddels in de basisregistratie kadaster (BRK) zijn gekoppeld aan het handelsregister. Voorts verwijst het bericht naar een in JBN verschenen artikel over de koppeling.

Basisregistraties Kadaster en KvK steeds verder gekoppeld

Het Kadaster heeft sinds juli 2014 een koppeling gemaakt tussen de Basisregistratie Kadaster (BRK) en het Handelsregister (NHR) van de Kamer van Koophandel. Inmiddels is 59% van de Niet-Natuurlijke Personen (NNP) in de BRK gekoppeld met het NHR.

Geen onduidelijkheid
Zowel het Kadaster als het Handelsregister kennen in de registratie een vorm van Niet-Natuurlijke Personen. Dit zijn rechtsvormen zoals bedrijven of samenwerkingsverbanden. Door het opnemen van het KvK-nummer bij het inschrijven van akten bij het Kadaster, is er geen enkele onduidelijkheid over de identiteit van een NNP’s. Goed voor het rechtsverkeer en efficiënt voor iedereen die zich bezighoudt met vastgoed en bedrijven.

Registratie Niet-Natuurlijke Personen verbeterd
In 2014 was slechts 49% van de NNP’s in de BRK gekoppeld met het Handelsregister. Begin 2016 is dit percentage gestegen naar 59%. Lang niet alle NNP’s zijn in beide registraties terug te vinden; soms hebben ze een afwijkend voorkomen. Dat zit vaak in simpele zaken zoals de schrijfwijze van zetels of de statutaire namen. Ongeveer de helft van de in de BRK voorkomende NNP’s zijn inmiddels gekoppeld met het NHR. De volledigheid moet de komende jaren steeds beter worden.

Juridisch belang van koppelingen
Het juridisch belang van het koppelen is beschreven in het vakblad Juridische Berichten voor het notariaat. De rol van de notaris in dit proces wordt duidelijk beschreven. Lees het artikel.

Geplaatst in Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Pellicaan Advocaten: seminar bestuurdersaansprakelijkheid 14 april 2016

Op 14 april a.s. organiseert Pellicaan Advocaten een seminar over bestuurdersaansprakelijkheid.

Doelgroep

Op dit seminar zijn alle bestuurders van rechtspersonen welkom. Het seminar richt zich niet op juridische of financiële beroepsbeoefenaren.

Bestuurdersaansprakelijkheid

In beginsel is het privévermogen van een bestuurder van een besloten vennootschap of stichting afgeschermd en kunnen schuldeisers alleen bij de rechtspersoon aan kloppen. Dat privévermogen van de bestuurder lijkt daarmee buiten schot te blijven, maar de praktijk blijkt echter een stuk weerbarstiger. De wet biedt een bestuurder van een rechtspersoon namelijk alleen bescherming indien die bestuurder zijn taak op de juiste wijze vervult. Doet u dat als bestuurder niet, dan kan dit als gevolg hebben dat u als bestuurder met uw privévermogen aansprakelijk bent.

Het is aan de orde van de dag dat rechters bestuurdersaansprakelijkheid aannemen, met alle (financiële) gevolgen van dien. Tijdens het seminar van 14 april 2016 wordt door de inleiders besproken welke risico’s bestuurders lopen, welke (veelvoorkomende) fouten zij absoluut niet moeten maken en in welke situaties zij extra alert dienen te zijn. Aan de hand van praktijkvoorbeelden wordt een en ander toegelicht. Het belooft het een nuttige en informatieve middag te worden.

Het seminar wordt verzorgd door ondernemingsrechtadvocaten Xander Alders en Elif Barioglu.

Datum, locatie en aanmelding

Pellicaan Advocaten verwelkomt u op donderdag 14 april 2016 vanaf 15:15 uur in het pand aan de Rivium Promenade 190 (2909 LM Capelle aan den IJssel). Het seminar begint om 15:30 uur. Er wordt naar gestreefd om af te sluiten om 17:00 uur, waarna onder het genot van een drankje ervaringen met elkaar kunnen worden uitgewisseld. Deelname aan dit seminar is kosteloos.

U kunt zich opgeven door een e-mail te sturen aan: carolien.vanwilligen@pellicaan.nl.

Programma:
15:15 uur – Ontvangst
15:30 uur – Deel 1 Inleiding bestuurdersaansprakelijkheid
16:15 – 16:25 uur – Pauze
16:25 uur – Deel 2 Uitwerking in de praktijk
17:00 uur – Afsluiting en borrel

Deze aankondiging staat ook op de website van Pellicaan Advocaten.

Geplaatst in Bestuurdersaansprakelijkheid, Evenementen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Tweede Kamer tegen uitstel centraal aandeelhoudersregister [bericht KNB]

Het blijft druk rondom de registers met aandeelhouders en ubo’s. De KNB laat vandaag het volgende weten:

Tweede Kamer tegen uitstel centraal aandeelhoudersregister

18-03-2016

De verdere ontwikkeling van het centraal aandeelhoudersregister (CAHR) moet niet worden uitgesteld tot na invoering van het UBO-register. Dit stelden diverse partijen donderdag tijdens een algemeen overleg over fraude in de Tweede Kamer. De Kamer ging hierover in gesprek met de staatssecretaris en de minister van Veiligheid en Justitie. Voorafgaand aan dit overleg heeft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) in een brief de Kamer gewezen op het belang van het CAHR en het versterken van de poortwachtersrol van de notaris.

Jeroen Recourt van de PvdA vertelde dat hij het CAHR nog steeds heel graag wil en dat notarissen daar uitstekende ideeën over hebben. Zo nodig denkt hij richting initiatiefwetgeving om het CAHR te realiseren. Judith Swinkels van D66 vroeg waarom het UBO-register wel wordt ontwikkeld en het CAHR voorlopig niet. Het CAHR ligt immers praktisch klaar bij het notariaat en kan mogelijk dienen als basis voor het UBO-register. Verder registreert het CAHR alle aandeelhouders terwijl het UBO-register alleen aandeelhouders van meer dan 25 procent registreert. Minister Ard van der Steur gaf aan dat het CAHR niet is afgesteld, maar is uitgesteld. Het UBO-register moet op 26 juni 2017 gereed zijn. Daarom wordt hieraan voorrang gegeven. Na invoering hiervan wordt gekeken op welke punten het CAHR een meerwaarde heeft ten opzichte van het UBO-register. Het UBO-register gaat volgens de minister op een aantal punten verder dan het CAHR.

Denkproces
In de tweede termijn van het overleg merkte Sharon Gesthuizen van de SP op dat fraudeaanpak niet kan worden uitgesteld. Het oppakken van het CAHR na 26 juni 2017 vindt zij te laat. Ook Jeroen Recourt liet weten het onvoldoende te vinden als het CAHR pas dan wordt opgepakt. Nu al is duidelijk waar verschillen zitten en dat beide registers elkaar aanvullen en mogelijk in elkaar kunnen worden geschoven. Volgens Judith Swinkels moet met gezwinde spoed worden doorgegaan met de ontwikkeling van het CAHR. Van der Steur gaf aan dat met het denkproces over het CAHR niet zal worden gewacht tot na 26 juni 2017, zodat daarna meteen met het CAHR aan de slag kan worden gegaan.

RADAR-systeem
Tweede Kamerlid Foort van Oosten van de VVD ging in op de poortwachtersrol van de notaris bij de voorkoming van fraude met rechtspersonen. Hij vroeg of ook het notariaat toegang zou kunnen krijgen tot het RADAR-systeem van de Dienst Justis. Staatssecretaris Klaas Dijkhoff gaf aan terughoudend te zijn bij het delen van RADAR-informatie met private partijen. Van Oosten stelde hierop dat notarissen voor de helft ambtenaar zijn en dat van notarissen ook veel wordt verwacht bij de voorkoming van fraude. Dijkhoff zegde toe hiernaar te zullen kijken. De KNB gaat binnenkort in gesprek met de Dienst Justis over inzage in of toetsing aan de RADAR-gegevens door het notariaat.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen