Bedenktijd voor beursvennootschappen

In het nieuwsbericht van 7 december jl. kondigde de rijksoverheid een nieuw wetsvoorstel aan. De memorie van toelichting is via deze link te vinden.

Advertenties
Geplaatst in Naamloze vennootschap | Tags: | Een reactie plaatsen

Bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden [2]

Op 31 oktober jl. plaatste ik op dit weblog een bericht over de preadviezen inzake bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden. De heer Bleeker was zo vriendelijk mij de gecorrigeerde versie van zijn preadvies over de leidinggevende als overtreder van milieunormen toe te zenden, die ik aan voormeld bericht heb toegevoegd en ook hierna is te vinden:

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Leidinggevenden aansprakelijkheid | Tags: | Een reactie plaatsen

De naaste geassocieerde van de PEP | hoe mede-bestuurders PEP worden | Wwft

Onlangs heeft de Minister van Financiën in antwoord op kamervragen aangegeven dat iemand ‘naaste geassocieerde’ is van een uiteindelijk belanghebbende (‘ubo’) die politiek prominente persoon (‘PEP’) is, als betrokkene zelf ook ubo is (bijvoorbeeld omdat betrokkene statutair bestuurder is) van dezelfde rechtspersoon.

Uit de beantwoording blijkt dat voor het begrip ubo geen onderscheid wordt gemaakt tussen de ‘echte’ ubo (iemand met financieel belang of ‘control’) en de ‘terugvaloptie’ ubo, de statutair bestuurder van een rechtspersoon die geen ‘echte’ ubo heeft, ook wel de ‘pseudo-ubo’ genoemd.

Not-for-profit | bestuurders worden PEP
In de not-for-profit is meestal de ‘terugvaloptie’ van toepassing. Hierna een voorbeeld waar dit toe leidt:

Een stichting exploiteert tien scholen in Zuid-Holland.
De stichting heeft een bestuur van drie personen. Aangezien dit ‘klassieke’ not-for-profit is, betekent dat, dat deze drie bestuurders alle drie ‘ubo’ van de stichting zijn. Één van deze drie bestuurders is de dochter van een lid van de Tweede Kamer, zij is daardoor een ‘politiek prominente persoon’, een PEP. Daarmee wordt de gehele stichting hoog risico in de zin van de witwasbestrijding voor de bank, de accountant, het administratiekantoor, de juridische dienstverleners en andere Wwft-plichtigen.
Overigens heeft het zijn van PEP ook consequenties voor de dochter van het Tweede Kamerlid zij, aangezien zij door de bank en andere financiële dienstverleners als hoog risico moet worden aangemerkt en extra gemonitord op signalen van corruptie, witwassen en terrorismefinanciering.
De uitleg van ‘naaste geassocieerde’ heeft tot gevolg dat de twee mede-bestuursleden zelf ook ‘PEP’ geworden zijn. Als gevolg daarvan moeten ook zij door hun eigen bank c.s. als hoog risico worden aangemerkt.

Dit is waar de criminaliteitsbestrijdingsregels, bedacht door Europa en geïmplementeerd door Nederland, toe leiden. Het schuurt met de grondrechten en mensenrechten. Of een en ander aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voldoet, moet worden afgewacht.

Europese uitleg
Overigens: de minister merkt terecht op dat de ‘naaste geassocieerde’ uit het Europese recht komt. Dat betekent dat een en ander op basis van de Europese documenten moet worden uitgelegd. Daar geeft het antwoord van de minister geen blijk van.

Not-for-profit organisaties | geen PEP in het bestuur!
Draag er zorg voor dat in het bestuur en in andere functies binnen de stichting en vereniging geen mensen actief zijn, die PEP zijn. Dat voorkomt veel problemen.
PEP’s zijn in Nederland onder meer: leden van de Eerste en Tweede Kamer, ministers, bestuurders van landelijke politieke partijen, rechters van de Hoge Raad, leden van de raad van bestuur van DNB en leden van rekenkamers.
Let er dat ook de echtgenoot, de ouders en kinderen van de voornoemde PEP’s, zelf PEP zijn.

Beantwoording kamervragen
Onderstaand de tekst van de vragen en de beantwoording van 27 november jl., waarin ook nog andere vragen over de Wwft worden beantwoord.

2018Z18409
Vragen van het lid Bruins (ChristenUnie) aan de Minister van Financiën over de positie van een naast geassocieerde/zakelijk relatie van een PEP in samenhang met de wijziging van de UBO-regeling (ingezonden 15 oktober 2018)

Vraag 1
Is het de bedoeling van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dat als een zogeheten PEP (een politiek prominent persoon in de zin van de Wwft) een zogenoemde UBO (een uiteindelijk belanghebbende in de zin van de Wwft) is, de andere UBO’s in de betreffende organisatie(s) kwalificeren als naast geassocieerde en/of nauwe zakelijke relatie?

Antwoord vraag 1
Ja, op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt o.a. een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een politiek prominente persoon (PEP) de gezamenlijke uiteindelijk belanghebbende (UBO) [1] is van een juridische entiteit of een juridische constructie, of die met een PEP andere nauwe zakelijke relaties heeft, aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”.

Vraag 2
Kunt u de reikwijdte in de praktijk van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 ook concreet aangeven voor elk van de volgende afzonderlijk casussen:

a. Een PEP is lid van een kerkenraad met 20 leden. Deze vormen gezamenlijk het bestuur van de kerk. De kerk heeft geen UBO’s in het kader van eigendom of zeggenschap. Klopt het dat indien het gehele statutair bestuur van de kerkenraad gezamenlijk kwalificeert als UBO om die reden alle medekerkenraadsleden individueel kwalificeren als persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon in de zin van de wet en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?
b. Een PEP is statutair-bestuurder van een onderneming samen met acht andere bestuurders. De onderneming heeft geen UBO op basis van eigendom of zeggenschap. Klopt het dat, indien het gehele statutaire bestuur van de onderneming gezamenlijk nu kwalificeert als UBO, om die reden alle medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?
c. Een PEP is samen met twee andere bestuursleden bestuurslid van een stichting. Op basis van zeggenschap kwalificeert elk individu als UBO. Klopt het dat, nu elk lid individueel kwalificeert als UBO op basis van zeggenschap, om die reden ook de medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?
d. Een PEP is bestuurslid van een werkgeversvereniging. De werkgeversvereniging kent geen UBO’s op basis van eigendom en zeggenschap. Klopt het dat, indien het gehele statutaire bestuur van de vereniging gezamenlijk nu kwalificeert als UBO, om die reden alle medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?
e. Betekent het zijn van naast geassocieerde ook dat de overige entiteiten waar deze naast geassocieerde in betrokken is als UBO ook een verscherpt cliëntenonderzoek moeten hebben? Zo ja welke risico’s moeten in dit kader specifiek onderzocht worden en hoe kan dat effectief en goed worden ingevuld? Kunt u dit uitwerken met concrete voorbeelden?
f. Welke periode blijft de medebestuurder, zoals hiervoor benoemd, nog naast geassocieerde indien de PEP geen UBO meer is in de hiervoor genoemde entiteiten?

Antwoord vraag 2
In de casus a tot en met d wordt in feite gevraagd naar degene(n) die wordt of worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Indien een kerkgenootschap (a) of een andere rechtspersoon, niet zijnde een besloten vennootschap of naamloze vennootschap, [2] (b tot en met d) meerdere UBOs kent en één van deze UBOs een PEP is, dan geldt dat de overige UBOs worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Op grond van artikel 1 Wwft en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt o.a. een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een PEP de gezamenlijke UBO is van een juridische entiteit aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”.
In het geval van kerkgenootschappen, die op grond van artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek geregeerd worden door het eigen statuut, geldt dat voor hen vanwege hun bijzondere positie in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 een eigenstandige uitwerking van het UBO-begrip is opgenomen. Tot de natuurlijke personen die in elk geval als UBO van een kerkgenootschap moeten worden aangemerkt, worden de natuurlijke personen gerekend die bij ontbinding van het kerkgenootschap als rechtsopvolger in het eigen statuut zijn benoemd, gelet op een potentieel eigendomsbelang van deze natuurlijke personen. Indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, een dergelijke rechtsopvolger niet is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of de rechtsopvolger de uiteindelijke eigenaar is of zeggenschap heeft dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, worden als UBO aangemerkt de natuurlijke personen die als bestuurder staan vermeld in het eigen statuut of zo mogelijk als bestuurder staan genoemd in de documenten van de kerkelijke organisatie.
De verplichting om bij PEPs aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen te treffen zoals bedoeld in artikel 8, vijfde tot en met zevende lid, Wwft geldt ook ten aan zien van personen die worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. [3] Deze maatregelen moeten worden toegepast zo lang als nodig doch ten minste gedurende twaalf maanden totdat deze persoon niet langer het hoger risico meebrengt. [4]

De verplichting om (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren berust op grond van de Wwft op instellingen in de zin van die wet. Dat zijn bijvoorbeeld banken. Deze instellingen moeten per concreet geval de intensiteit van de cliëntenonderzoeksmaatregelen afstemmen op de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering. Hoe hoger die risico’s zijn, des te groter de intensiteit van die maatregelen. Die risico gebaseerde benadering geldt ook voor het verscherpt cliëntenonderzoek naar PEPs. In het geval van een PEP, een familielid van een PEP of een persoon bekend als naaste geassocieerde van een PEP dient een instelling ten minste de maatregelen te nemen zoals genoemd in artikel 8, vijfde lid, Wwft. Het betreft onder meer het nemen van passende maatregelen om de herkomst van het vermogen dat bij de dienstverlening betrokken is vast te stellen. Ook de intensiteit van deze verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen dient te worden afgestemd op de risico’s van een concreet geval. Zo wordt bijvoorbeeld een verhoogde inspanning verwacht van een bank om de herkomst van het vermogen vast te stellen indien een bankrekening wordt geopend voor een staatshoofd van een land met een verhoogd risico op corruptie. Daarnaast kan het zijn dat een instelling aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen moet nemen. Daarbij kan gedacht worden aan een verdere verhoging van de frequentie waarin de informatie uit het cliëntenonderzoek geactualiseerd wordt.

Vraag 3
Bent u bereid de reikwijdte van naast geassocieerden nader te bezien om zodoende doel en aard van de wetgeving in overeenstemming te krijgen met het risico?

Antwoord vraag 3
Het begrip “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon” is een implementatie van artikel 3, elfde lid, van de vierde anti- witwasrichtlijn. [5] De richtlijn biedt geen ruimte om de reikwijdte op dit punt te beperken.

Vraag 4
In welke van de onderstaande gevallen kwalificeren naar uw inschatting de onderstaande casussen als nauwe zakelijke relatie in de zin van de Wwft:
a. de schuldeiser (natuurlijk persoon) van de PEP;
b. de schuldenaar (natuurlijk persoon) van de PEP?

Antwoord vraag 4
Ik lees vraag 4 in samenhang met de eerdere vragen die onder meer zagen op het begrip “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Uit de definitie van dat begrip volgt dat onder andere wordt aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”: een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een PEP de gezamenlijke UBO is van een juridische entiteit of een juridische constructie, of die met een PEP andere nauwe zakelijke relaties heeft. Of een schuldeiser of schuldenaar van een PEP moet worden aangemerkt als een “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon” hangt af van de aard van deze relatie. Zo zal een incidentele schuldeiser of schuldenaar niet snel worden aangemerkt als een persoon die een nauwe zakelijke relatie heeft met een PEP. Omdat de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn, is hierop in algemene zin geen antwoord te geven.

Vraag 5
Hoe ver reikt de onderzoeksplicht van een instelling onder de Wwft om al dan niet te concluderen tot een zakelijke relatie? Kunt u concrete voorbeelden noemen wanneer er geen aanleiding is voor nader onderzoek voor onderzoek naar een zakelijke relatie?

Antwoord vraag 5
Om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt gebruikt voor witwassen of terrorismefinanciering moeten instellingen in de zin van de Wwft onderzoek verrichten naar hun cliënten en de achtergrond en het doel van een beoogde zakelijke relatie of transactie. De instellingen dienen voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of het verrichten van een transactie een risicobeoordeling uit te voeren. Indien daaruit volgt dat er sprake is van een hoog risico is een verscherpt cliëntenonderzoek vereist en dient de Wwft-instelling verscherpte maatregelen te treffen. Naast de zakelijke relaties of transacties die op grond van de risicobeoordeling met een hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering gepaard gaan, kan het ook gaan om gevallen waarin bijvoorbeeld sprake is van een PEP. In deze gevallen dient een instelling meer gegevens te verzamelen en te controleren, teneinde het hoge risico voldoende te beperken en te beheersen.
Indien uit de risicobeoordeling volgt dat sprake is van een bewezen laag risico, dan kan de Wwft-instelling volstaan met het treffen van vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Echter, het cliëntenonderzoek kan in geen geval geheel achterwege blijven. Wel wordt de intensiteit waarmee de cliëntenonderzoeksmaatregelen worden toegepast, afgestemd op het risico dat met een cliënt, relatie of transactie gepaard gaat. Het is aan de Wwft-instelling zelf om te bepalen welke intensiteit in een bepaald geval passend is.

[Noten]

[1] Een UBO is een natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een cliënt, dan wel de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. Dit UBO-begrip is artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 nader uitgewerkt door aan te geven welke categorieën natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. Het gaat hier echter niet om een limitatieve lijst. Steeds zal, op basis van de in artikel 1 van de Wwft genoemde criteria, beoordeeld moeten worden of er ook andere personen als UBO moeten worden aangemerkt.

[2] Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 bevat een uitwerking van het UBO-begrip voor besloten vennootschappen en naamloze vennootschappen. Artikel 3, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 bevat een uitwerking van het UBO-begrip voor overige rechtspersonen, zoals stichtingen en verenigingen.

[3] Artikel 8, achtste lid, Wwft.

[4] Artikel 8, zevende en achtste lid, Wwft.

[5] Richtlijn (EU) nr. 2015/849/EC van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141).

Meer informatie:

  • De Nederlandse definitie van PEP staat vreemd genoeg niet in de wet, maar in een uitvoeringsbesluit > artikel 2. In lid 3 staat de definitie van ‘naaste geassocieerde’.

3. Personen bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet zijn:
a. een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een politiek prominente persoon de gezamenlijke uiteindelijk belanghebbende is van een juridische entiteit of een juridische constructie, of die met een politiek prominente persoon andere nauwe zakelijke relaties heeft;
b. een natuurlijke persoon die de enige uiteindelijk belanghebbende is van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is dat deze is opgezet ten behoeve van de feitelijke begunstiging van een politiek prominente persoon.

„personen bekend als naaste geassocieerden”:
a) natuurlijke personen van wie bekend is dat deze met een politiek prominente persoon de gezamenlijke uiteindelijk begunstigden zijn van juridische entiteiten of juridische constructies, of met een politiek prominente persoon andere nauwe zakelijke relaties heeft;
b) natuurlijke personen die als enige de uiteindelijk begunstigden zijn van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is dat deze is opgezet ten behoeve van de feitelijke begunstiging van een prominent politieke persoon.

Dit artikel is ook op het ubo-register weblog gepubliceerd.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Ondernemersplein, handelsregister en KvK, Stichting, ubo-register, Vereniging | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

The Beneficial Ownership Working Group of ECRF

In Europe there is a European Commerce Registers’ Forum (ECRF), that has established an ECRF Beneficial Ownership Working Group. The activities in a post on the ECRF site are described as follows:

The ECRF Beneficial Ownership Working group was established to provide a forum for the ECRF members to exchange knowledge, experience and to discuss the common challenges faced with establishing and providing access to the beneficial ownership registers.

In order to capture and exchange valuable information, the working group has undertaken a consultation process with the participating members to better understand the underlying policy and technical issues faced within each jurisdiction. The consultation process was facilitated through a participant questionnaire.

The latest report of its activities is the 2017 report, that was published in May 2018.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, English | posts in English on company law, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen, Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: | Een reactie plaatsen

Consultatie Regeling toezicht trustkantoren 2018 afgesloten | vergunning Wtt voor iedere bestuurder van een stichting administratiekantoor?

Onlangs is de consultatie Regeling toezicht trustkantoren 2018 afgesloten. Er zijn vier openbare reacties op de consultatie bekend gemaakt, te weten van advocatenkantoor Finnius, de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (“GCV”, KNB/NOvA), trustkantoren brancheorganisatie Holland Qaestor (HQ) en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI).

  • Finnius maakt zich zorgen over nevenactiviteiten.
  • GCV doet suggesties met betrekking tot de bestuurders van stichtingen administratiekantoor.
  • HQ ziet nieuwe commerciële mogelijkheden door alle bestuurders van stichtingen administratiekantoor onder de Wtt te brengen.
  • De VNCI denkt dat zij trustkantoor zijn en wil graag worden vrijgesteld.

 

Meer informatie:

Dit artikel verscheen ook op de site van Compliance Platform Trustkantoren.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuur en toezicht, Stichting | Tags: | Een reactie plaatsen

Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties ingediend bij de Tweede Kamer

In maart jl. startte een consultatie inzake een wet die toen nog ‘Wet bestuurlijk verbod rechtspersonen‘ heette. Inmiddels is een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd dat ‘Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties‘ heet.

Op de site van de Tweede Kamer wordt het voorstel als volgt toegelicht:

Criminele organisaties zoals motorbendes zouden door de minister voor Rechtsbescherming verboden moeten kunnen worden, vinden de indieners van het wetsvoorstel, de Kamerleden Kuiken (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Van Oosten (VVD), Van der Graaf (CU) en Van der Staaij (SGP).
Nu nog kunnen criminele bendes alleen door de rechter verboden worden. Maar dat proces duurt veel te lang. Een verbod door de minister werkt veel sneller en kan met onmiddellijke ingang in werking treden.
De initiatiefnemers wijzen erop dat de vrijheid van vergadering een Grondwettelijk recht is. Een bestuursrechtelijk verbod mag daarom alleen als dat in het belang is van de openbare orde. Volgens de Kamerleden is dat het geval, omdat de motorbendes zware criminaliteit stimuleren en faciliteren, en daarmee een ‘ernstige bedreiging voor de veiligheid van burgers en voor het openbaar gezag’ vormen. Zij stellen voor om deze verbodsbevoegdheid te introduceren als aanvulling op de bestaande regeling in het Burgerlijk Wetboek (BW).

Kern
Het voorstel  biedt de mogelijkheid aan de Minister van Rechtsbescherming om door middel van een beschikking een rechtspersoon en “ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten tredend lichaam of samenwerkingsverband” te verbieden. Het verbod heeft onmiddellijke werking. Een verboden rechtspersoon kan vervolgens door de Minister worden ontbonden.

Grond voor het verbod is dat “de werkzaamheid van die rechtspersoon of dat lichaam of samenwerkingsverband een cultuur van wetteloosheid creëert, bevordert of in stand houdt“. Een politieke partij of een kerkgenootschap die zo’n cultuur van wetteloosheid creëert, bevordert of in stand hout kan volgens het voorstel niet worden verboden.

Artikel 9 van het voorstel zegt dat er rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De memorie van toelichting zegt daar over:

Artikel 9 (rechtsbescherming tegen het verbod)
Het verbod van artikel 2 heeft weliswaar onmiddellijke werking, maar die beoogt uiteraard niet om de verboden organisatie af te houden van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming die haar toekomt (bezwaar, beroep en hoger beroep en het verzoek aan de bestuursrechter om een voorlopige voorziening te treffen). Artikel 9 stelt dat buiten twijfel. Uit dit artikel volgt ook dat de bewindvoerder (zie het eerste lid van de artikelen 6 en 7) zijn goedkeuring verleent aan onttrekking van de benodigde middelen aan het vermogen van de rechtspersoon of corporatie.

Wetsvoorstel

Artikel 1 begripsomschrijving
In deze wet wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister voor Rechtsbescherming.

Artikel 2 verbod rechtspersoon, lichaam of samenwerkingsverband
1. Als dat noodzakelijk is in het belang van de openbare orde kan Onze Minister een rechtspersoon en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten tredend lichaam of samenwerkingsverband bij beschikking verbieden als de werkzaamheid van die rechtspersoon of dat lichaam of samenwerkingsverband een cultuur van wetteloosheid creëert, bevordert of in stand houdt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een gedraging toegerekend aan de rechtspersoon, het lichaam of het samenwerkingsverband als de gedraging heeft plaatsgevonden in het georganiseerde verband van de rechtspersoon, het lichaam of het samenwerkingsverband en de rechtspersoon, het lichaam of het samenwerkingsverband de gedraging duldt of er op andere wijze niet doeltreffend tegen optreedt.

Artikel 3 organisaties die niet verboden mogen worden
Op grond van artikel 2, eerste lid, wordt niet verboden:
a. een politieke partij;
b. een jongerenvereniging of wetenschappelijk bureau, verbonden aan een politieke partij;
c. een kerkgenootschap of een andere organisatie die gericht is op het belijden van een godsdienst of levensbeschouwing;
d. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers die krachtens haar statuten ten doel heeft om de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en bevoegd is tot het aangaan van een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 4 kennisgeving en registratie van het verbod
1. Na de bekendmaking van de beschikking wordt van het verbod onverwijld mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. Voor zover de beschikking strekt tot het verbieden van een corporatie als bedoeld in artikel 117 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek die niet is een Nederlandse rechtspersoon en die is ingeschreven in het handelsregister, wordt de beschikking ingeschreven in dat register.

Artikel 5 ontbinding Nederlandse rechtspersoon
1. Een Nederlandse rechtspersoon die met toepassing van artikel 2, eerste lid, is of wordt verboden, kan bij beschikking van Onze Minister worden ontbonden.
2. De beschikking tot ontbinding treedt in werking zodra zij onherroepelijk is geworden.

Artikel 6 bewind en vereffening na ontbinding Nederlandse rechtspersoon
1. Op verzoek van Onze Minister kan de rechter de goederen van de rechtspersoon ten aanzien waarvan de beschikking tot ontbinding is genomen maar nog niet in werking is getreden, onder bewind stellen. Artikel 22 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
2. Op verzoek van Onze Minister benoemt de rechter een of meer vereffenaars van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon.

Artikel 7 bewind en vereffening na verbod buitenlandse corporatie
1. Op verzoek van Onze Minister kan de rechtbank de in Nederland gelegen goederen van een met toepassing van artikel 2, eerste lid, verboden corporatie als bedoeld in artikel 117 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek die niet is een Nederlandse rechtspersoon, onder bewind stellen. Artikel 22 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
2. Op verzoek van Onze Minister benoemt de rechtbank een of meer vereffenaars van de in Nederland gelegen goederen van een met toepassing van artikel 2, vijfde lid bedoelde, verboden corporatie. De artikelen 23 tot en met 24 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 verwerking van persoonsgegevens
1. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming, kan Onze Minister, voor zover noodzakelijk voor de taakuitoefening op grond van deze wet, persoonsgegevens verwerken als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 9 rechtsbescherming tegen het verbod
Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de rechtspersoon of van het lichaam of samenwerkingsverband om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het verbod.

Artikel 10 wijziging Burgerlijk Wetboek
Artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. door een beschikking van Onze Minister voor Rechtsbescherming als bedoeld in artikel 2 eerste lid, van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties.

2. In het derde lid wordt «door de Kamer van Koophandel en» vervangen door «door de Kamer van Koophandel,» en wordt aan het slot ingevoegd «en in het geval als bedoeld in lid 1, onder g, door Onze Minister voor Rechtsbescherming».

3. Aan het vierde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij een ontbinding als bedoeld in lid 1, onder g, wordt de opgaaf gedaan door Onze Minister voor Rechtsbescherming.

Artikel 11 wijziging Wetboek van Strafrecht
Artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht komt te luiden:

2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die is verboden op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties, bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 12 wijziging Wetboek van Strafvordering
In artikel 67, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering wordt na «139d, eerste en tweede lid,» ingevoegd «140, tweede lid,»

Artikel 13 inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 14 citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties.

Meer informatie:

Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties:

Overig:

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Rechtspersonenrecht overig | Tags: , | Een reactie plaatsen

Antwoord op vragen Tweede Kamer over de wachttijden voor ondernemers om zich in te schrijven in het handelsregister

Op 7 november jl. zijn vragen Tweede Kamer over de wachttijden voor ondernemers om zich in te schrijven in het handelsregister beantwoord. De tekst van de beantwoording volgt hierna.

Vraag 1
Bent u bekend met de situatie dat aanstaand ondernemers soms lang moeten wachten (circa drie weken) voordat zij zich kunnen inschrijven in het Handelsregister?

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Kunt u een overzicht geven van de wachttijden voor het inschrijven in het Handelsregister in de verschillende regio’s? Wat is daarbij de snelste doorlooptijd en bij welk Handelsregister in welke regio loopt de wachttijd op?

Antwoord 2
De wachttijd om een afspraak te maken voor een nieuwe inschrijving van een eenmanszaak (ZZP) en/of een vennootschap onder firma (VoF) in het handelsregister verschilt per regio. Zie onderstaande overzicht van de wachttijden (week 43):

Regio Noord: 8 kalenderdagen;
Regio NW: 14 kalenderdagen;
Regio Oost: 5 kalenderdagen;
Regio ZW: 4 kalenderdagen;
Regio Zuid: 9 kalenderdagen.

De Kamer van Koophandel (KvK) heeft weliswaar geanticipeerd op de aantrekkende economie en de flexibilisering van de arbeidsmarkt, maar de groei van eenmanszaken is boven verwachting. Op dit moment variëren de wachttijden van 4 tot 14 dagen, afhankelijk van de regio. De wachttijd in de regio’s Zuidwest (Rotterdam, Den Haag en Middelburg) en Oost (Arnhem, Apeldoorn, Zwolle en Enschede) is kort. De langste wachttijd is in de regio Noordwest (Amsterdam, Alkmaar, Almere, Amersfoort en Utrecht).

Een startende ondernemer kan op de website zien in welke regio de wachttijden het kortst zijn en besluiten om daar zijn inschrijving te doen om wachttijden te ontlopen. De inschrijving van een BV verloopt elektronisch via de notaris. Via de notarisapplicatie kan direct opgave worden gedaan en zijn er dus geen wachttijden aan de zijde van de KvK.

Vraag 3
Kunt u aangeven hoeveel verzoeken tot inschrijving dagelijks worden ingediend bij de Kamer van Koophandel (KvK) en wat op dit moment de wachttijd is voor een verzoek tot inschrijving?

Antwoord 3
Het aantal inschrijvingen fluctueert per week (seizoensinvloeden) en per regio. Het wekelijkse totale aantal inschrijvingen varieert van ongeveer 2.500 tot 4.600 ondernemingen. De wachttijd voor het maken van een afspraak verschilt per regio (zie onder 2).

De afgelopen periode is het aantal inschrijvingen van nieuwe ondernemingen sterk gestegen (zie onderstaand overzicht).

Vraag 4
Kunt u aangeven wat inmiddels de gemiddelde doorlooptijd is voordat een btw-nummer is afgegeven door de Belastingdienst?

Antwoord 4
Het overgrote deel van inschrijvingen aan de balie betreft eenmanszaken. De KvK verstrekt hiervoor direct een voorlopig btw-nummer waarmee de ondernemer direct actief kan zijn met zijn bedrijf. De Belastingdienst stuurt een definitieve bevestiging van het btw-nummer. De gemiddelde doorlooptijd van de bevestiging van een btw-nummer was in de maanden augustus en september zes werkdagen. Op dit moment is de gemiddelde doorlooptijd weer vijf dagen.
Als een particulier zonnepanelen heeft, kan hij voor teruggaaf van de btw op de aanschaf een btw-nummer aanvragen bij de Belastingdienst. De termijn voor afgifte van een btw-nummer aan particulieren die houder zijn van zonnepanelen bedraagt op dit moment zeven werkdagen.

Vraag 5
Hoe lang zou naar uw mening de maximale wachttijd mogen beslaan voor inschrijving in het Handelsregister van de KvK?

Antwoord 5
Gezien de wettelijke termijn waarbinnen de opgave moet worden gedaan [1] , hanteert de KvK een doelstelling van een maximale wachttijd van 7 kalenderdagen voor de inschrijving van een eenmanszaak.

De inschrijving van rechtspersonen (zoals een BV) verloopt elektronisch. Bij de notaris kunnen ondernemers via een koppeling met de notarisapplicatie direct opgave doen en zijn er dus geen wachttijden bij de inschrijving in het Handelsregister.

Vraag 6
Voldoet het Handelsregister aan deze verwachting in de verschillende regio’s? Zo nee, wat gaat u doen om dit te versnellen en wat is de oorzaak van een langere wachttijd?

Antwoord 6
De KvK voldoet niet in alle regio’s aan de doelstelling van een maximale wachttijd van zeven kalenderdagen. Wel kan een startende ondernemer op de website zien in welke regio de wachttijden het kortst zijn en besluiten om daar zijn inschrijving te doen.

Om de wachttijd terug te dringen zijn al voor de zomer de volgende acties ondernomen:
Ondersteuning van medewerkers vanuit andere regio’s en andere afdelingen;
Extra inzet van medewerkers (overwerk/extra werken parttimers);
Inhuur en opleiden van tijdelijke nieuwe medewerkers om te kunnen voldoen aan de eisen die gelden voor het inschrijven van ondernemingen. Het aannemen en opleiden van nieuwe medewerkers heeft geleid tot het teruglopen van de wachttijden in bijna alle regio’s. De verwachting is dat ook in de regio NW de doorlooptijden nog verder zullen teruglopen.

Vraag 7
Waarom kan een ondernemer zich niet (ook) online registreren? Zijn er plannen om online registratie mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7
Rechtspersonen (BV’s en NV’s) kunnen zich digitaal inschrijven via de notaris.

In 2019 wil de KvK dat ook steeds meer andere ondernemers zich digitaal kunnen inschrijven. Aangezien in dat geval niet de notaris de betrouwbaarheid van de inschrijving vaststelt, moet deze via authenticatiemiddelen worden vastgesteld. Dit goed regelen is nog in ontwikkeling.

Vraag 8
Kunt u aangeven of de in de antwoorden op schriftelijke vragen toegezegde termijn van vijf werkdagen voor de afgifte van een btw- en loonheffingnummer door de Belastingdienst wordt gehaald? Zo nee, kunt u aangeven wat de reden is dat deze termijn niet wordt gehaald? [2]

Antwoord 8
Op dit moment wordt de termijn van vijf werkdagen voor de afgifte van loonheffingsnummers gehaald. Voor de bevestiging c.q. afgifte van btw-nummers wordt deze niet in alle gevallen gehaald. Dat de termijn voor btw-nummers voor bij de KvK ingeschreven ondernemers in sommige gevallen niet wordt gehaald, wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat de Belastingdienst een ondernemer registreert op of vanaf de opgegeven startdatum van zijn onderneming. Veel ondernemers schrijven zich al geruime tijd voor die startdatum in bij de KvK. De KvK meldt de inschrijving op dezelfde datum bij de Belastingdienst. De inschrijfdatum geldt ook als startmoment van de meting van de vijfdagentermijn, terwijl de Belastingdienst het btw-nummer pas bevestigt na de daadwerkelijke startdatum. Gelet op de functie van het btw-nummer als identificerend nummer voor btw-plichtige ondernemers is dat ook logisch. Vóór de daadwerkelijke startdatum is de ingeschrevene nog geen ondernemer voor de omzetbelasting en mag daarom niet beschikken over een «werkend» btw-nummer.

Dat de termijn voor zonnepaneelhouders op dit moment niet wordt gehaald, is het gevolg van een forse stijging van het aantal verzoeken van deze doelgroep, te weten van 45.000 in de periode januari-september 2017 tot ruim 72.000 in dezelfde periode dit jaar. De Belastingdienst geeft prioriteit aan bevestiging van het btw-nummer van bij de KvK ingeschreven ondernemers, omdat de bevestiging voor die doelgroep een hogere urgentie heeft.

Vraag 9
Hoe lang zou naar uw mening de maximale wachttijd mogen beslaan van het verzoek om registratie bij de KvK tot en met de afgifte van een btw-nummer door de Belastingdienst? Welke stappen onderneemt u om de totale wachttijd zo kort mogelijk te maken?

Antwoord 9
De maximale wachttijd om te kunnen inschrijven in het handelsregister mag in principe 7 kalenderdagen beslaan. Voor een overzicht van de stappen die worden ondernomen om de wachttijd korter te maken, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.

Vraag 10
Kunt u de antwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan de Kamer sturen?

Antwoord 10
Ja.

[Noten]

[1] In artikel 20 Handelsregisterwet is voor de ondernemer de verplichting neergelegd een nieuwe onderneming binnen 7 dagen na aanvang in te schrijven in het Handelsregister.
[2] Antwoorden op vragen van het lid Lodders over functioneren van de Belastingdienst (25 april 2018), Aanhangsel der Handelingen 2017–2018, nr. 1917.

Geplaatst in Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , | Een reactie plaatsen

WNT | tegenspraak wordt niet geduld | accountants mogen geen kritiek hebben op slechte wetgeving

Tegenspraak wordt niet geduld, dat is niet alleen de opvatting van de huidige regering. Ook Tweede Kamerleden uit de oppositie zijn de mening toegedaan dat geen kritiek mag worden uitgeoefend op hun wetgeving, zo blijkt uit recente vragen die door een lid van de Tweede Kamer voor de SP werden gesteld. Naar aanleiding van de WNT-kritiek van accountants vroeg hij onder meer: “Sinds wanneer is het gebruikelijk dat de accountants bepalen welke wetten zij wel en welke wetten zij niet willen controleren?” Ook bij de SP heerst de arrogantie van de macht en wordt tegenspraak niet geduld.

Het is een onzinvraag. En het geeft aan hoe weinig respect dit lid van de Tweede Kamer heeft voor opvattingen van beroepsbeoefenaren.

Complete tekst van de gestelde vragen:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2018-2019 Vragen gesteld door de leden der Kamer 2018Z21174
Vragen van het lid Van Raak (SP) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het dreigement van accountants dat zij geen controle willen uitoefenen op topinkomens (ingezonden 15 november 2018).

Vraag 1
Wat is uw opvatting over het dreigement van accounts dat zij geen controle willen uitoefenen op publieke topinkomens?1

Vraag 2
Wat vindt u van de opvatting van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), de lobbyclub van de accountants, dat deze wettelijke controle weliswaar veel extra werk en geld oplevert, maar dat het volgens de NBA «omzet (is) die wij eigenlijk niet willen»?

Vraag 3
Sinds wanneer is het gebruikelijk dat de accountants bepalen welke wetten zij wel en welke wetten zij niet willen controleren?

Vraag 4
Was de organisatie NBA betrokken bij de vereenvoudiging van de regels voor controle van topinkomens in de publieke sector, die onlangs op uw initiatief is doorgevoerd?

Vraag 5
Van welke accountants of organisaties van accountants heeft uw ministerie gehoord «dat ze (…) blij waren met deze duidelijkheid»? Wat was destijds de opvatting van de NBA?

Vraag 6
Deelt u de opvatting dat niet accountants maar politici de normen moet stellen voor de topinkomens in de (semi)publieke sector.

Vraag 7
Op welke momenten, vanaf de invoering van de Wet normering topinkomens in 2013, is er contact geweest tussen het ministerie en (leden van de) NBA over onderwerpen die betrekking hebben op de Wet normering topinkomens?

1 https://fd.nl/ondernemen/1278183/accountants-vinden-controle-topinkomens-te-duur-voor-publieke-instanties

Eerder schreef ik al over het ontbreken van tegenspraak in het financiële recht en meldde ik op mijn algemene blog de kritiek van Marc Chavannes, die schreef:

De Haagse ambtelijk-politieke bubbel is steeds minder gediend van advies en tegenspraak. Het parlement verliest zijn functie. De rechtspraak raakt bekneld. Tijd voor tegenmacht!

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Jaarstukken en financiële verantwoording | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Wet bestuur en toezicht rechtspersonen | veranderingen voor stichting en vereniging | nota naar aanleiding van het verslag en nota van wijziging ingediend

Het is al weer een tijdje geleden dat we iets hoorden over de ‘Wet bestuur en toezicht rechtspersonen‘, een wet die met name voor stichtingen en verenigingen consequenties heeft.

Op 9 november jl. is de nota naar aanleiding van het verslag bekend gemaakt. De daar aan voorafgaande activiteit dateert uit september 2016.

In de nota van 9 november wordt uitgebreid ingegaan op door leden van de Tweede Kamer gestelde vragen en op wat er in de juridische literatuur over het voorstel is gezegd. Een en ander leidt tot een groot aantal wijzigingen in het wetsvoorstel.

Meer informatie:

Geplaatst in Rechtspersonenrecht overig, Stichting, Vereniging | Een reactie plaatsen

Ernstige kritiek door werkgroep NBA op de uitvoerbaarheid van de Wet Normering Topinkomens

Al eerder schreef ik over de Wet Normering Topinkomens (WNT), een wet die topinkomens in de not-for-profit normeert en die veel bureaucratie en juridische beslommeringen oplevert voor zowel de ‘WNT-instellingen’, als hun accountants en juridisch adviseurs.

Onlangs heeft een werkgroep van accountantsorganisatie NBA bekend gemaakt dat de accountantscontrole nauwelijks uitvoerbaar is:

COPRO heeft als eindoordeel dat het Controleprotocol WNT 2018 op zichzelf genomen vaktechnisch uitvoerbaar is, maar het protocol en de eraan ten grondslag liggende WNT-regelgeving als economisch onverantwoord aangemerkt moeten worden. Het protocol valt in feite alleen nog door WNT-specialisten uit te voeren, terwijl de controle in veel gevallen tot onevenredige administratieve en controlelasten leidt (bijvoorbeeld in de sectoren zorg en onderwijs). Daarom acht COPRO het protocol uitvoerbaar onder voorbehoud.

De werkgroep geeft aan dat de regelgeving te complex is voor accountantscontrole:

COPRO constateert dat het stelsel aan WNT-regelgeving te uitgebreid, complex en op onderdelen niet eenduidig is

Meer informatie is in het bericht van COPRO te vinden. Hopelijk zullen Tweede Kamer en de minister van BZK hier aandacht aan besteden.

Meer informatie:

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Beloning bestuurders en toezichthouders, Stichting | Tags: , , | Een reactie plaatsen