Overheidsregister van aandeelhouders: Nederlandse Orde van Advocaten bracht advies uit

​De Nederlandse Orde van Advocaten heeft advies uitgebracht over de initiatiefnota bredere toegang centraal aandeelhoudersregister (CAHR). De NOvA maakt zich zorgen over de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van de natuurlijke personen die in dit overheidsregister zullen worden opgenomen.
Zie voor informatie verder het dossier 34095 bij overheid.nl. Het hoofddossier is 32608.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Rechtspersonenrecht overig | Tags: | Een reactie plaatsen

Het ubo-register blijft de gemoederen bezig houden

Over het ubo-register en het landelijk overheidsregister van aandeelhouders wordt veel geschreven.

Een bijdrage komt van notarisorganisatie KNB, zij schrijven op 29 april:

UBO-register is ‘slechts’ hulpmiddel bij cliëntenonderzoek
29-04-2016

Het UBO-register is een hulpmiddel bij het cliëntenonderzoek. Meldingsplichtige instellingen mogen zich niet uitsluitend verlaten op het UBO-register. Dit laten de ministers van Veiligheid en Justitie, Economische Zaken en Financiën weten. Zij reageren (pdf) hiermee op de schriftelijke inbreng van verschillende politieke partijen. Daarnaast geven zij aan dat er een vergoeding voor inzage wordt gevraagd en dat de beheerder van het register een controlerende taak krijgt.

Verschillende politieke partijen stelden kritische vragen bij hun schriftelijke inbreng. De PvdA stoorde zich vooral aan het uitstellen van het centraal aandeelhoudersregister (CAHR). Daarop zeggen de ministers nu dat het UBO-register prioriteit heeft, maar de gedachtevorming over het CAHR niet stopt. ‘Gedurende de periode waarin het UBO-register wordt ontwikkeld, wordt geïnventariseerd hoe en waar het CAHR meerwaarde kan hebben, zodat het UBO-register tijdig kan worden geïmplementeerd en we daarna voort kunnen gaan met het CAHR.’

Entiteit omvormen tot trust
De ministers geven aan dat het UBO-register een waardevolle bijdrage zal leveren aan het voorkomen en bestrijden van misbruik van het financieel stelsel. Ook uit recente ontwikkelingen, zoals de Panama Papers blijkt volgens hen onmiskenbaar nut en noodzaak van een UBO-register. Het is de bewindslieden bekend dat er ondanks de (privacy)waarborgen zorg bestaat over registratie van gegevens in het UBO-register. Zij schrijven hierover: ‘In zijn algemeenheid valt niet uit te sluiten dat personen om die reden ervoor kiezen om de entiteit van wie zij UBO zijn om te vormen in een trust. Initiatieven van de EU-lidstaten om automatische uitwisseling van UBO-gegevens tussen autoriteiten mogelijk te maken, zullen ervoor zorgen dat het steeds moeilijker wordt om een andere jurisdictie op te zoeken om buiten het bereik van een UBO-register te blijven.’

Vergoeding inzage
De ministers laten verder nog weten dat er een kostendekkende vergoeding wordt gevraagd voor het verkrijgen van informatie uit het UBO-register. Daarnaast willen zij de gebruikers van het UBO-register online laten registreren. Dit sluit aan bij het regime van het Handelsregister waarbij ook gebruikers van betaalde diensten worden geregistreerd. Verder schrijven de ministers dat de beheerder van het UBO-register zal toezien op registratie van UBO-gegevens conform de daartoe opgestelde voorwaarden. Het is de bedoeling dat de beheerder bij het aanleveren van de UBO-gegevens op volledigheid van de UBO-informatie controleert.

Er is van de hierboven genoemde reactie van de ministers een versie als kamerbrief op rijksoverheid.nl gepubliceerd.

PWC schreef in een bericht van 27 april jl. dat een goede privacybescherming ontbreekt in de Nederlandse voorstellen.

Taxence meldt dat het fonds voor gemene rekening mogelijk ook in het ubo-register komt.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht | Tags: | Een reactie plaatsen

Beroepsverbod in het financiële recht / consultatievoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018

In het financiële recht zijn ontwikkelingen gaande, die ook voor de praktijk van het ondernemingsrecht van belang zijn.
Één van die ontwikkelingen is dat in toenemende mate in financiële regelgeving beroepsverboden worden geïntroduceerd. Uit het recent ingediende consultatievoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018 blijkt dat men van plan is om ook in die wet de mogelijkheid van een beroepsverbod te introduceren.

Op grond van artikel 61 van het voorstel kan een beroepsverbod zonder tussenkomst van de rechter door De Nederlandsche Bank worden opgelegd. Het gaat om het uitoefenen van functies bij ondernemingen als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), derhalve een grote groep ondernemingen, waartoe ook accountantskantoren en belastingadvieskantoren behoren.
Opvallend is dat het beroepsverbod ook voor onbepaalde tijd kan worden opgelegd.

Het voorgestelde artikel 61 bevat derhalve vergaande bevoegdheden.

In het navolgende enige eerste aantekeningen.

Consultatieteksten

Hierna volgt de voorgestelde tekst van artikel 61, waarbij het beroepsverbod als “ontzegging” wordt aangeduid:

Artikel 61
1. De toezichthouder kan in geval van een overtreding van voorschriften, gerangschikt in de derde boetecategorie als bedoeld in artikel 56, tweede lid, de overtreder, dan wel, indien de overtreding is begaan door een rechtspersoon, de natuurlijke personen die tot de betrokken gedraging opdracht hebben gegeven of daar feitelijk leiding aan hebben gegeven, de bevoegdheid ontzeggen om bij een instelling als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme bepaalde functies uit te oefenen.
2. Een ontzegging als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd het derde lid, worden opgelegd voor de duur van ten hoogste een jaar en eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.
3. Een ontzegging, als bedoeld in het eerste lid, kan voor onbepaalde tijd worden opgelegd, indien ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen aan betrokkene van een bestuurlijke sanctie ter zake van eenzelfde overtreding.

In de concept toelichting wordt hier het volgende over gezegd:

Artikel 61

Het voorgestelde artikel 61 voorziet in de mogelijkheid om natuurlijke personen de bevoegdheid te ontzeggen om bepaalde functies uit te oefenen. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 59 van de vierde anti-witwasrichtlijn.

Gezien het ingrijpende karakter van de sanctie dient de toezichthouder de ontzegging alleen op te kunnen leggen bij ernstige overtredingen. Dit is in artikel 61, eerste lid, tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de toezichthouder alleen de bevoegdheid kan ontzeggen om bij een financiële onderneming of marktexploitant bepaalde functies uit te oefenen in het geval dat sprake is van een overtreding van een voorschrift dat beboetbaar is met een bestuurlijke boete van de derde categorie.

Conform het gestelde in de richtlijn is de mogelijkheid van het opleggen van een tijdelijk verbod niet beperkt tot de actuele functie van de betrokkene, maar kan de schorsing zich uitstrekken tot andere, eventueel soortgelijke, functies bij andere instellingen als bedoeld in de Wwft. Hiermee wordt voorkomen dat het verbod wordt omzeild en de betrokkene een andere functie kan bekleden binnen dezelfde onderneming, of een ander trustkantoor. Het ontzeggen van de bevoegdheid om bij een financiële onderneming of marktexploitant bepaalde functies uit te oefenen kan betrekking hebben op elke functie bij een financiële onderneming of marktexploitant. De ontzegging kan dus zowel betrekking hebben op beleidsbepalende functies (bestuursfuncties of andere beleidsbepalende functies) als andere functies. De toezichthouders kunnen de ontzegging opleggen aan natuurlijke personen aan wie ter zake van de overtreding ook andere bestuurlijke sancties kunnen worden opgelegd. Het gaat dan niet alleen om natuurlijke personen die zelf overtreder zijn, maar ook om personen die opdracht hebben gegeven om de overtreding te begaan of die daar feitelijk leiding aan hebben gegeven. Dit is in lijn met artikel 5:1, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat (door verwijzing naar artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht) bepaalt dat bij overtredingen door een rechtspersoon ook aan deze groep natuurlijke personen een sanctie kan worden opgelegd.

De ontzegging op grond van artikel 61 is in beginsel een tijdelijke ontzegging, die de toezichthouder kan opleggen voor maximaal een jaar en eenmaal kan verlengen (tweede lid). In het derde lid is hierop een uitzondering opgenomen. Daarin is bepaald dat een ontzegging om beleidsbepalende functies uit te oefenen ook voor onbepaalde tijd kan worden opgelegd. Dat kan echter alleen als de persoon om wie het gaat in de afgelopen vijf jaar al eerder een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor dezelfde overtreding. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan een eerder opgelegde tijdelijke ontzegging om een functie uit te oefenen, dat hoeft echter niet. Ook indien ter zake van een zelfde overtreding aan de natuurlijke persoon (al dan niet door toepassing van artikel 5:1, derde lid, Awb) een andere bestuurlijke sanctie is opgelegd, kan bij een nieuwe overtreding binnen vijf jaar een ontzegging voor onbepaalde tijd worden opgelegd.

De maatregel van het tijdelijk verbod dient te worden onderscheiden van de beoordeling door de toezichthouder (DNB) van de eisen aan geschiktheid en betrouwbaarheid en de mogelijkheid van de toezichthouder om daaromtrent een aanwijzing te geven aan een individueel trustkantoor.

In aansluiting op de Wft, is er niet voor gekozen om, in afwijking van de hoofdregel in de Awb, te voorzien in een eventuele schorsende werking van een ingediend bezwaar of ingesteld beroep. Dit zou zich slecht verenigen met de aard van de maatregelen, die in geval van een ernstige overtreding onmiddellijk van kracht kunnen worden om effectief te kunnen zijn. Dit laat overigens onverlet de mogelijkheid van betrokken aandeelhouders of werkzame personen om zich bij oplegging van een maatregel door middel van een kort geding te wenden tot de voorzieningenrechter met het verzoek om opschorting van de opgelegde maatregel te gelasten. Tezamen met de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar en van eventueel beroep vormt dit een adequate rechtsbescherming.

Vanwege de ingrijpende aard van deze bevoegdheid is in artikel 62 in de mogelijkheid voorzien om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent de uitoefening van deze bevoegdheid, als de toepassingspraktijk van deze nieuwe bevoegdheid daartoe aanleiding zou geven.

Het is een raadsel wat de “marktexploitant” in deze toelichting te betekenen heeft.

Voorts valt op dat niet wordt toegelicht waarom het beroepsverbod zich zou moeten uitstrekken tot alle ondernemingen als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Tot slot

Over deze aanpak kan het nodige worden gezegd, om te beginnen dat er een hopeloze versnippering ontstaat door alle verspreide mogelijkheden in het bestuursrecht, civiele recht en strafrecht om beroeps- en bestuursverboden op te leggen.

Verder acht ik het ongewenst dat een dergelijke ingrijpende beslissing door het bestuursorgaan wordt genomen; deze bevoegdheid hoort thuis bij de rechter. Van adequate rechtsbescherming is zeker geen sprake. Het illustreert dat het tijd is voor één wetboek van bestuurssanctieprocesrecht, waarin alle regels inzake sancties bij elkaar worden gebracht.

Wellicht kom ik hier later op terug met een uitgebreidere analyse.

Meer informatie

Dit artikel is ook gepubliceerd op de site van het Compliance Platform Trustkantoren

Aanvulling 24 mei 2016

In het Nederlands Juristenblad verscheen een artikel over het beroepsverbod in straf- en tuchtrecht, “Het ontzetten uit beroep of ambt. Op de weg van de straf- en/of tuchtrechter?” door Jurjan Geertsma & Melissa Slaghekke.

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuursverbod | Tags: , , | 1 reactie

KNB en NOVA: de nieuwe Corporate Governance Code is niet bedoeld een juridisch document te zijn

De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en de Nederlandse Orde van Advocaten heeft advies uitgebracht over de nieuwe corporate governance code.

Notarissenorganisatie KNB schrijft als volgt:

‘Nieuwe Corporate Governance Code moet basis bieden voor dialoog’
19-04-2016

De nieuwe Corporate Governance Code is niet bedoeld een juridisch document te zijn. Het moet een basis bieden voor dialoog. Dit schrijft de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) in een reactie (pdf) op het voorstel voor een nieuwe code. De Monitoring Commissie Corporate Governance Code zal zich over de input beraden en wil nog voor de zomer haar definitieve advies uitbrengen.

De Corporate Governance Code is in 2003 vastgesteld en in december 2008 voor het laatst herzien. Deze code is van toepassing op Nederlandse beursvennootschappen en bevat principes en best practice bepalingen over de governance van beursvennootschappen en de verantwoording daarover aan aandeelhouders. De GCV kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel. Het was voor de GCV niet nodig om de code een geheel nieuwe indeling en opzet te geven. Desalniettemin vindt de GCV het een goed voorstel om tot een aangepaste tekst te komen. Sinds 2008 zijn er op het vlak van corporate governance de nodige ontwikkelingen geweest. De code is een levend document dat als regel eens in de drie jaar geëvalueerd zou moeten worden.

Kanttekeningen
De GCV plaatst een aantal kanttekeningen bij het voorstel. De code dient geen regelingen te bevatten waarin al is voorzien in wet- en regelgeving. Die lijn moet consequent worden doorgetrokken door de hele code. Verder moet het zelfregulerende karakter van de code voorop blijven staan. Die is in de ogen van de GCV bedoeld om een dialoog te faciliteren tussen bestuur, raad van commissarissen en aandeelhouders. In de praktijk is de code echter steeds verder gejuridiseerd.

Meer informatie:

Geplaatst in Bestuur en toezicht, Naamloze vennootschap | Tags: , , | Een reactie plaatsen

KNB: Kamer voor motie centraal aandeelhoudersregister

De KNB volgt de ontwikkelingen rondom ubo-register en centraal overheidsregister van aandeelhouders op de voet. Op 5 april jl. verscheen onderstaand bericht:

Kamer voor motie centraal aandeelhoudersregister

05-04-2016

De regering moet de voorbereidingen voor het centraal aandeelhoudersregister (CAHR) voortzetten en bewerkstelligen dat dit register er komt. Een Kamermeerderheid steunde vanmiddag een motie met deze strekking van de Kamerleden Recourt (PvdA) en Gesthuizen (SP).

Onlangs heeft minister Dijsselbloem van Financiën mede namens minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie en minister Kamp van Economische Zaken aan de Tweede Kamer geschreven dat de ontwikkeling van het CAHR wordt aangehouden totdat het UBO-register verder is ontwikkeld. De Tweede Kamer is echter in meerderheid van mening dat het CAHR naast het UBO-register of in combinatie daarmee meerwaarde heeft als het gaat om het opsporen van misdrijven via bv’s of niet-beursgenoteerde nv’s. De Kamer heeft de regering daarom vanmiddag verzocht de voorbereidingen voor het CAHR voort te zetten en te bewerkstelligen dat dit register, al dan niet in combinatie met het UBO-register, er gaat komen.

Denkproces
Tijdens een recent algemeen overleg over fraude stelden diverse partijen (PvdA, SP en D66) al dat de verdere ontwikkeling van het CAHR niet moet worden uitgesteld tot na invoering van het UBO-register. Minister Van der Steur gaf aanvankelijk aan dat het CAHR niet is afgesteld, maar is uitgesteld. Het UBO-register moet op 26 juni 2017 gereed zijn. Daarom wordt hieraan voorrang gegeven. Na invoering hiervan wordt gekeken op welke punten het CAHR een meerwaarde heeft ten opzichte van het UBO-register. In de tweede termijn gaf de minister aan dat met het denkproces over het CAHR niet zal worden gewacht tot na 26 juni 2017, zodat daarna meteen met het CAHR aan de slag kan worden gegaan.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Europa en het rechtspersonenrecht, Europese rechtsvormen | Tags: | Een reactie plaatsen

KNB over bestuursverbod en administratieplicht (bestrijding faillissementsfraude)

Naar aanleiding van het door de Eerste Kamer aannemen van de wetsvoorstellen inzake bestuursverbod en administratieplicht (bestrijding faillissementsfraude) laat notarissenorganisatie KNB het volgende weten:

Eerste Kamer steunt aanpak faillissementsfraude
06-04-2016

Minister Ard van der Steur van Veiligheid en Justitie heeft woensdag een nieuwe stap kunnen zetten in de aanpak van faillissementsfraude. De Eerste Kamer stemde in met de wetsvoorstellen civielrechtelijk bestuursverbod en herziening strafbaarstelling faillissementsfraude. Beide maatregelen maken onderdeel uit van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’ en treden naar verwachting op 1 juli 2016 in werking.
Met de Wet civielrechtelijk bestuursverbod kan een bestuurder die faillissementsfraude heeft gepleegd of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, in aanloop naar een faillissement een bestuursverbod worden opgelegd van maximaal vijf jaar. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten. De Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude verruimt de strafrechtelijke mogelijkheden om effectiever en harder op te treden tegen frauduleuze faillissementen. Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt ‘terugrechercheren’ moeilijk. Om faillissementsfraude beter te kunnen aanpakken, komt er daarom onder andere een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement.

Rol notaris
De notaris en de Kamer van Koophandel krijgen een rol bij de handhaving van het civielrechtelijk bestuursverbod. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen. Omdat bestuursverboden zullen worden ingeschreven bij het Handelsregister kunnen de notaris en de Kamer van Koophandel eenvoudig online nagaan of een persoon die een onderneming wil oprichten of als bestuurder wil worden ingeschreven een bestuursverbod heeft.

Centraal aandeelhoudersregister
Voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB heeft daarom gepleit voor invoering van een civielrechtelijk bestuursverbod. Verder is de KNB groot voorstander van een centraal aandeelhoudersregister (CAHR). Ook dit is een belangrijk hulpmiddel bij de voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. Ook de Tweede Kamer is in meerderheid van mening dat het CAHR, naast het UBO-register of in combinatie daarmee, meerwaarde heeft als het gaat om het opsporen van misdrijven via bv’s of niet-beursgenoteerde nv’s. De Kamer heeft de regering daarom op dinsdag 5 april verzocht de voorbereidingen voor het CAHR voort te zetten en te bewerkstelligen dat dit register, al dan niet in combinatie met het UBO-register, er gaat komen.

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Accountant en ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuurdersaansprakelijkheid, Bestuursverbod | Tags: | Een reactie plaatsen

Nieuwe strafrechtelijke regels inzake boekhoudplicht aangenomen door de Eerste Kamer

Enige tijd geleden is een wetsvoorstel ingediend, onder de titel “herziening strafbaarstelling faillissementsfraude”, waarin een aanvulling werd voorgesteld op de regels die in het civiele recht gelden op het gebied van boekhouding en administratie. Onlangs is deze wet door de Eerste Kamer aangekomen.

Deze wet is van belang voor bestuurders en commissarissen van rechtspersonen, onder meer omdat de wet veronderstelt dat ieder van hen in staat is om aan de curator in het faillissement van de rechtspersoon de administratie verschaffen en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, alles in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken.

Voorts biedt de wet de mogelijkheid om bestuurders en commissarissen te straffen in situaties dat zij medewerking hebben verleend of toestemming hebben gegeven voor het buitensporig verbruiken, uitgeven of vervreemden van middelen van de rechtspersoon. Dit is een nadere invulling van de civielrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur. Interessant zal zijn hoe snel die ‘medewerking’ of ‘toestemming’ wordt aangenomen.

Voorts is bijzonder aan de wet, dat de wet ook geldt voor leidinggevenden die geen statutair bestuurder zijn, “zij die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon“, wat een veel ruimere categorie is dan de beleidsbepalers die we in het civiele recht kennen. De wet is voorts van toepassing op “bestuurders” van een vennootschap onder firma en van een commanditaire vennootschap, ook al kennen deze rechtsvormen geen bestuurders (alleen vennoten).

Een wet om rekening mee te houden!

Belangstellende leidinggevenden en toezichthouders doen er goed aan de bijeenkomst die Pellicaan Advocaten binnenkort houdt over bestuurdersaansprakelijkheid bij te wonen.

Meer informatie:

Geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarstukken en financiële verantwoording, Leidinggevenden aansprakelijkheid | Tags: | Een reactie plaatsen

Wetsvoorstel bestuursverbod door Eerste Kamer aangenomen

Uit het nieuwsbericht van de rijksoverheid blijkt dat het wetsvoorstel inzake het bestuursverbod door de Eerste Kamer als hamerstuk is aangenomen.

Het laatste inhoudelijke kamerstuk is de nadere memorie van antwoord van 21 maart jl., waarin het volgende is opgenomen:

2. Civielrechtelijke gevolgen van het bestuursverbod

De leden van de VVD-fractie hebben in het verslag de vraag gesteld waarom het bestuursverbod niet ook kan worden opgelegd aan commissarissen, maar alleen aan statutair en feitelijk bestuurders. Zij kunnen de reactie van de regering hierop in de memorie van antwoord niet goed plaatsen, en wijzen daarbij op artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW) – hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement wegens onbehoorlijk bestuur – die via de schakelbepaling van artikel 2:259 BW ook geldt voor commissarissen. Zij vragen de regering om nadere uitleg waarom het bestuursverbod niet ook van toepassing is op commissarissen.

Artikel 2:248 BW is inderdaad van overeenkomstige toepassing op commissarissen, maar heeft voor de commissaris inhoudelijk een andere betekenis dan voor een bestuurder, omdat de taak van de commissaris een geheel andere is (prof. M.L. Lennarts, Ondernemingsrecht, Tekst & Commentaar, 2014, aantekening bij art. 2:259 BW, blz. 634). Zijn kerntaak is, samengevat, om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming(en) alsmede om het bestuur met raad ter zijde te staan (art. 2:250 lid 2 BW). Daarmee staat de commissaris meer op afstand van een onderneming, terwijl de bestuurder juist bij uitstek verantwoordelijk is en direct invloed heeft op de dagelijkse gang van zaken en het beleid van een onderneming. Daar komt bij dat in veel gevallen van faillissementsfraude blijkt dat deze bewust wordt begaan met behulp van een rechtspersoon die juist geen raad van commissarissen kent. Op grond hiervan meent de regering dat het gerechtvaardigd is om de bestuurder als aangrijpingspunt voor de oplegging van een bestuursverbod centraal te stellen. Wordt een bestuursverbod opgelegd dan betekent dit, tenzij de rechter anders bepaalt, tevens het einde van de commissariaten die betrokkene elders mocht hebben evenals een beletsel om tijdens de duur van het bestuursverbod ergens commissaris te worden (aldus het voorgestelde artikel 106b Faillissementswet). In zoverre raakt het wetsvoorstel ook commissarissen, die zich als bestuurder van een andere vennootschap schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid en daarom een bestuursverbod hebben gekregen. Hoewel de regering meent dat het kwalitatieve onderscheid tussen «bestuurder» en «commissaris» rechtvaardigt dat het wetsvoorstel nu alleen op bestuurders ziet, heeft zij begrip voor de zorgen van de VVD-fractie. De regering heeft daarom op verzoek van de VVD-fractie tijdens de behandeling in de Tweede Kamer een wetsvaluatie na vijf jaar toegezegd (Handelingen Tweede Kamer, 17 juni 2015, p. 97-6-20) en voorts de bereidheid uitgesproken om daarbij de vraag te betrekken of er aanleiding kan zijn om voor gevallen van wanbeleid ook voor commissarissen in de mogelijkheid van een bestuursverbod te voorzien (Kamerstukken I 2015/16, 34 011, nr. B).

De leden van de SP-fractie vragen of bestuurders de dans ontspringen als naar buitenlands recht opgerichte rechtspersonen, zoals een limited liability company of private limited company, hun statutaire zetel na oprichting hebben verplaatst naar Nederland, dan wel feitelijk in Nederland gevestigd zijn.

Verplaatsing van de statutaire zetel van een buitenlandse rechtspersoon naar Nederland veronderstelt omzetting in een Nederlandse rechtspersoon, bijvoorbeeld een besloten vennootschap. Dan vindt deze wet onverkort toepassing (artikel 106a Fw). Wil een buitenlandse rechtspersoon in Nederland economisch actief worden en is er sprake van een bestuurder aan wie in Nederland een bestuursverbod is opgelegd, dan zal inschrijving in het Handelsregister door de Kamer van Koophandel worden geweigerd. Het Handelsregisterbesluit 2008 wordt in die zin aangepast (Kamerstukken II 2013/14, 34 011, nr. 3, p. 6). Daarentegen staat het territorialiteitsbeginsel er aan in de weg dat een bestuursverbod wordt opgelegd aan bestuurders van een buitenlandse vennootschap. In dergelijke grensoverschrijdende gevallen kan, in het kader van de interne markt, alleen een Europese oplossing uitkomst bieden. Nederland heeft dit belangrijke aspect tijdens de onderhandelingen over een nieuwe Europese insolventieverordening met succes Europees weten te agenderen. Afgesproken is dat de Europese Commissie onderzoek zal doen naar de grensoverschrijdende aspecten van bestuursverboden en daarover nog dit jaar zal rapporteren (art. 90 lid 3 van Verordening nr. 2015/848 van 20 mei 2015, Pb. L 141). Het parlement zal hierover op de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd.

3. Registratie

De leden van de VVD-fractie vragen op grond van welke titel de gegevens over verstreken bestuursverboden voor instanties, zoals Justis, langer dan 5 jaar beschikbaar blijven. Ook vragen zij naar de maximale bewaartermijn alsmede of er ook andere instanties zijn voor wie de historische gegevens inzake bestuursverboden beschikbaar blijven en, zo ja, wat dan de juridische titel is.

De historische gegevens inzake bestuursverboden zullen onder meer beschikbaar blijven, naast Justis, voor de rijksbelastingdienst, het openbaar ministerie, de Autoriteit Consument en Markt alsmede voor de Autoriteit Financiële Markten. In de aangekondigde wijziging van de Handelsregisterwet zal daarvoor een wettelijke grondslag worden opgenomen. Bij die gelegenheid zal ook worden voorzien in een bewaartermijn. Daartoe zal worden aangesloten bij de termijn van acht jaar, overeenkomstig artikel 9 lid 1 van de Wet controle op rechtspersonen.

De leden van de VVD-fractie vragen verder naar de huidige status van het centrale aandeelhoudersregister, wanneer daarover besluitvorming kan worden verwacht en hoe deze moet worden gezien in relatie tot het UBO-register.

Bij brief van 10 februari 2016 heeft de Minister van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken. De gelijktijdige ontwikkeling van het aandeelhouders- en het UBO-register leidt tot knelpunten in de uitvoerbaarheid en betaalbaarheid. Omdat de ontwikkeling van het UBO-register berust op een afdwingbare Europeesrechtelijke verplichting waarvoor een implementatietermijn is bepaald, wordt voorrang gegeven aan dit register. De ontwikkeling van het centraal aandeelhoudersregister wordt aangehouden totdat het UBO-register verder is ontwikkeld (Kamerstukken II 2015/16, 31 477, nr. 10).

4. Uitvoering en handhaving

De leden van de fractie van de SP merken op dat juridische procedures over de oplegging lang kunnen duren, waardoor het ook lang kan duren voordat de inschrijving van een bestuursverbod in het Handelsregister daadwerkelijk kan plaatsvinden. Is er, zo vragen zij, nagedacht over de mogelijkheid om een bestuursverbod via een voorlopige voorziening op te leggen, mede omdat kwaadwillende bestuurders in een periode van 3 tot 4 jaar veel schade kunnen veroorzaken?

Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat alleen bestuursverboden bij het Handelsregister worden geregistreerd als zij onherroepelijk zijn opgelegd. Daarmee wordt het bezwaar voorkomen, dat ook in de consultatie door onder meer de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad voor de rechtspraak is gesignaleerd, dat iemand naar achteraf blijkt ten onrechte met een bestuursverbod in het centrale register is opgenomen, omdat hij in hoger beroep alsnog in het gelijk is gesteld. Daardoor zou hij onnodig in zijn persoonlijke levenssfeer worden geschaad, hetgeen op gespannen voet zou staan met, in het bijzonder, artikel 8 EVRM.1 Ten algemene kan een civielrechtelijk bestuursverbod daarom ook niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 106b lid 6 Fw). Los daarvan staat de mogelijkheid voor de rechter om een bestuurder in incidentele gevallen en bijzondere omstandigheden desgevorderd voor de duur van het geding te schorsen. Deze schorsing wordt in het handelsregister ingeschreven (artikel 106c, leden 4–6, Fw). Daarbij kan de rechter, zoals de aan het woord zijnde leden lijken te veronderstellen, inderdaad het risico laten meewegen die iemand zijn malafide activiteiten gedurende de procesgang blijft of gaat voortzetten.

De leden van de fractie van de SP vragen verder of het kan voorkomen dat de rechter-commissaris in het faillissement op een later tijdstip als (zittings-)rechter moet beslissen op een vordering/verzoek tot een bestuursverbod van een curator in een hetzelfde faillissement. Zij zouden dit ongewenst achten.

De regering deelt de mening van de leden van de SP-fractie. Ook wat haar betreft is het onwenselijk dat een rechter, die aanvankelijk toezicht heeft gehouden op de afwikkeling van een faillissement, nadien deel uitmaakt van het rechterlijk college dat zich moet uitspreken over een vordering tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod. Het is een zaak van iedere rechtbank om hieraan vorm te geven.

De leden van de fractie van de SP vragen voorts of de fiscale geheimhoudingsplicht de voorziene levering van onherroepelijke opgelegde boeten wegens bepaalde vergrijpen door de Belastingdienst aan de curator of het OM doorkruist.

Doordat een wettelijk voorschrift, namelijk het voorgestelde artikel 106a, derde lid, Fw, tot bekendmaking van deze gegevens verplicht als het openbaar ministerie of de curator daarom verzoekt, is op grond van artikel 67, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geen sprake van doorkruising van de fiscale geheimhoudingsplicht.

De leden van de SP-fractie vragen in verband hiermee of is nagedacht over een actievere rol van de Belastingdienst door het spontaan verstrekken van informatie over fiscale vergrijpboetes aan de curator of het OM in geval van faillissement.

Vanwege de wettelijke plicht van de Belastingdienst om de betrokken gegevens te verstrekken als het openbaar ministerie of de curator daarom verzoekt, wordt een verdergaande regeling niet nodig geacht.

De leden van de SP vragen ook of is stilgestaan bij de mogelijkheid dat ook de Belastingdienst een verzoek kan doen tot oplegging van een bestuursverbod.

Formeel is de mogelijkheid daartoe nu alleen voorbehouden aan de curator en het openbaar ministerie (artikel 106a Fw). De Belastingdienst kan echter, als schuldeiser, in overleg treden met de curator als de Belastingdienst het wenselijk acht dat oplegging van een bestuursverbod wordt gevorderd. Ziet de curator daarvan af, dan kan de Belastingdienst zich op grond van artikel 69 Faillissementswet tot de rechter-commissaris wenden. Na de curator gehoord te hebben, beslist de rechter-commissaris of de curator al dan niet de opdracht krijgt om een vordering tot het opleggen van een bestuursverbod in te stellen. Deze mogelijkheid is niet exclusief voorbehouden aan de Belastingdienst, maar staat op zich ter beschikking van alle crediteuren (Kamerstukken II 2013/14, 34 011, nr. 3, p. 4).

Voorts vragen de leden van de fractie van de SP hoe vorm wordt gegeven aan het toezicht op de naleving van het bestuursverbod.

Het toezicht op de naleving van het bestuursverbod krijgt allereerst vorm via de notaris en de Kamer van Koophandel. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen. Ook moet de Kamer van Koophandel onherroepelijk opgelegde bestuursverboden in een openbaar register opnemen, en betrokkene als bestuurder en, in voorkomend geval, commissaris in het Handelsregister doorhalen. Ook de openbaarheid van het register met bestuursverboden en de daaraan inherente transparantie in het handelsverkeer voor marktpartijen dragen aan de handhaving bij. Ten slotte kan de rechter voorzien in sanctionering van het bestuursverbod via oplegging van een dwangsom (vgl. m.n. artikel 106b leden 3 en 5 Fw). Naar het oordeel van de regering is de handhaving van het bestuursverbod met dit samenstel van maatregelen adequaat verzekerd.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van de SP naar de mogelijkheden om een dwangsom te gelde te maken bij overtreding van een bestuursverbod. Moet het openbaar ministerie, zo vragen zij, hiervoor een verzoek indienen bij de rechtbank, of zijn andere partijen, zoals de Kamer van Koophandel, aan zet?

Op grond van het voorgestelde artikel 106b lid 5 Fw komt een dwangsom die wordt verbeurd toe aan de boedel of, als daarvan geen sprake is, aan de staat. Het boedelbelang staat uiteraard voorop; de staat komt slechts in beeld als een dwangsom wordt verbeurd (geruime tijd) nadat de boedel is afgewikkeld. Het betreft hier een civielrechtelijke dwangsom, waarvoor de artikelen 611a e.v. Wetboek van rechtsvordering gelden. Inherent aan de formulering van artikel 106b lid 5 Fw is dat betaling van een dwangsom kan worden gevorderd door de curator ofwel, in voorkomend geval, de Staat. Een dwangsom verjaart zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is (artikel 611g Wetboek van Rechtsvordering).

Meer informatie:

Geplaatst in Bestrijding misbruik rechtspersonen, insolventierecht, Bestuursverbod | Een reactie plaatsen

Bressers van EZ: Ondernemingsdossier op de schop: ‘Het roer moet om’

Uit het artikel voor iBestuur door Nicole van der Steen blijkt dat volgens Mark Bressers, directeur Regeldruk en ICT-beleid bij Economische Zaken, het Ondernemingsdossier niet goed functioneert.

Zij citeert Bressers:  “De digitale voorzieningen voor bedrijven en met name het Ondernemingsdossier moeten anders.

Een ander citaat: “Alle milieugerelateerde onderwerpen voor ondernemers staan bijvoorbeeld op één plek. Voor een aantal branches werkt het. Maar je wilt niet weten wat het kost aan investeringen om op deze manier verder te gaan. Het werd een te zwaar systeem voor een te kleine groep.

Het artikel illustreert de ondoordachte en onberaden digitaliseringsdrift van de rijksoverheid. Het is te hopen dat nieuwe projecten, zoals het ubo-register en het overheidsregister van aandeelhouders beter worden aangepakt.

Vindplaats artikel: hier

Geplaatst in Aandeelhoudersregister (landelijk), Ondernemersplein, handelsregister en KvK | Tags: , | Een reactie plaatsen

Niet langer inhoudingsplicht loonheffing inzake toezichthouders

De inhoudingsplicht voor de loonheffing kent op dit moment het merkwaardige fenomeen dat de rechtspersoon waarbij een persoon commissaris of toezichthouder is, loonheffing over de vergoeding moet inhouden op grond van de aanwezigheid van een ‘fictieve dienstbetrekking’. Daar komt per 1 mei 2016 een einde aan, zo blijkt uit diverse berichten.
Meer informatie in dit bericht van de loonheffingspecialisten van Mazars.

Geplaatst in Beloning bestuurders en toezichthouders, Fiscaal overig | Tags: | Een reactie plaatsen