Privacy en het jaarrekeningenrecht

Het zal niet vaak gebeuren dat de Raad van State zich uitlaat over een onderwerp op het gebied van het jaarrekeningenrecht. In 2014 is dat echter wel een keer gebeurd.

Een belanghebbende vroeg op grond van artikel 210 lid 8 BW2 ontheffing van de verplichting tot het deponeren van de jaarrekening, met beroep op de privacy van de grootaandeelhouder. Wellicht was dit één van de vele slachtoffers van de Quote-lijst, die door criminelen zo goed in de gaten wordt gehouden.
Het ontheffingsverzoek werd door de de minister van Economische Zaken afgewezen. Na ongegrondverklaring van het bezwaar ging de belanghebbende in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook de Afdeling ging niet in op de argumenten van belanghebbende.

Privacy grootaandeelhouders

Grootaandeelhouders die hun privéinformatie willen beschermen hebben niets aan artikel 210 lid 8 BW2. Naar verwachting zullen de gegevens van grootaandeelhouders als gevolg van de Nederlandse plannen met betrekking tot het overheidsregister van aandeelhouders en de Europese plannen inzake het ubo-register in een nog ruimere kring dan voorheen worden verspreid.

De rechterlijke uitspraken

Onderstaand wat nadere informatie over de uitspraak.

Artikelen boek 2 Burgerlijk Wetboek

Het ontheffingsartikel was in de behandelde zaak nog artikel 210 lid 7 BW2 (als gevolg van de flex-bv wijzigingen is het artikel 210 lid 8 geworden). De tekst luidt momenteel:

Onze Minister van Economische Zaken kan desverzocht om gewichtige redenen ontheffing verlenen van de verplichting tot het opmaken, het overleggen en het vaststellen van de jaarrekening. Geen ontheffing kan worden verleend ten aanzien van het opmaken van de jaarrekening van een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht.

Verder is hier artikel 396 lid 9 BW2 van belang, de huidige tekst luidt:

9. Indien de rechtspersoon geen winst beoogt, behoeft hij artikel 394 niet toe te passen, mits hij
a. de in lid 8 bedoelde stukken aan schuldeisers en houders van aandelen in zijn kapitaal of certificaten daarvan of anderen aan wie het vergaderrecht toekomt op hun verzoek onmiddellijk kosteloos toezendt of ten kantore van de rechtspersoon ter inzage geeft; en
b. ten kantore van het handelsregister een verklaring van een accountant heeft neergelegd, inhoudende dat de rechtspersoon in het boekjaar geen werkzaamheden heeft verricht buiten de doelomschrijving en dat dit artikel op hem van toepassing is.

Rechtbank

De Afdeling zegt over de uitspraak van de rechtbank, waarbij de belanghebbende als [appellante] wordt aangeduid:

De rechtbank heeft overwogen dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet een gewichtige reden is om op grond van artikel 2:210, zevende lid, van het BW ontheffing te verlenen. De bevoegdheid van de minister ontheffing als bedoeld in die bepaling te verlenen, kent, blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1979/80, 16 326, nr. 3, blz. 31 en 44-45), geen verdere reikwijdte dan de mogelijkheid ontheffing te verlenen indien omstandigheden die verhinderen dat een behoorlijke jaarrekening wordt opgemaakt naar zijn beoordeling gewichtige redenen opleveren. Voorts levert het bestreden besluit geen ongerechtvaardigde inmenging in de uitoefening van het recht op het respect voor het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM op. Indien er al inmenging zou zijn is deze gerechtvaardigd in het belang van het economische welzijn van het land en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Tevens kan het betoog van [appellante] dat Richtlijn 2012/6/EU van 14 maart 2012 een relevante wijziging van het recht inhoudt, niet leiden tot het beoogde doel en de stelling dat [appellante] op grond van artikel 2:396, negende lid, van het BW in aanmerking zou komen voor vrijstelling heeft zij niet, althans niet deugdelijk, gemotiveerd, aldus de rechtbank.

Oordeel Afdeling Bestuursrechtspraak

De Afdeling bespreekt de bezwaren van [appellante]:

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen gewichtige reden is als bedoeld in artikel 2:210, zevende lid, van het BW. De rechtbank heeft daarbij haar betoog onjuist weergegeven en daardoor haar standpunt niet besproken.
Voorts heeft de rechtbank miskend dat de weigering van de minister haar ontheffing van de openbaarmakingsplicht van de jaarrekening te verlenen in strijd is met artikel 8 van het EVRM. [appellante] voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de belangen van het economisch welzijn van het land en de bescherming van rechten van derden zwaarder wegen dan het belang van [appellante] en haar grootaandeelhouder bij bescherming van hun persoonlijke levenssfeer en daarmee diens veiligheid. De rechtbank heeft daarbij niet gemotiveerd waarom de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 1994 in zaak nr. RO1911529 (LJN: AN4063) nog steeds onverkort van toepassing is en de beroepsgronden van [appellante] daarbij ten onrechte onbesproken gelaten, aldus [appellante].

De Afdeling overweegt dat de gevraagde ontheffing niet kan worden verleend:

4.1. [appellante] heeft de minister verzocht haar ontheffing te verlenen van de plicht haar jaarrekening openbaar te maken, als bedoeld in artikel 2:394, eerste lid, van het BW. De minister heeft daartoe op grond van de wet echter geen bevoegdheid. De ontheffingsmogelijkheid van artikel 2:210, zevende lid, van het BW ziet niet op openbaarmaking van de jaarrekening, maar slechts op de interne handelingen van opmaken, overleggen en vaststellen van de jaarrekening (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 1994). Niet in geschil is dat deze handelingen zonder problemen kunnen worden verricht. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het beroep op de ontheffingsmogelijkheid van artikel 2:210, zevende lid, van het BW in zoverre niet kan slagen.
[appellante] betoogt terecht dat de rechtbank niet expliciet haar betoog heeft besproken dat voor de interne handelingen afzonderlijk ontheffing kan worden verleend en dat de openbaarmakingsplicht onder het woord ‘overleggen’ valt, als bedoeld in artikel 2:210, zevende lid, van het BW. Het eerste deel van dit betoog behoeft echter geen bespreking, omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet in geschil is dat deze handelingen zonder problemen kunnen worden verricht. Dat de openbaarmakingsplicht onder het woord ‘overleggen’ valt vindt geen steun in de tekst van de artikelen 2:210, zevende lid en 2:394, eerste lid, van het BW. Onder het ‘overleggen’ moet worden verstaan het ter inzage leggen van de jaarrekening ten kantore en het eventueel toezenden daarvan aan de ondernemingsraad, als genoemd in het eerste lid van artikel 2:210 van het BW. Hoewel terecht voorgedragen, treft het betoog van [appellante] in zoverre geen doel.

Vervolgens bespreekt de Afdeling de mogelijkheid van toetsing aan internationale bepalingen:

4.2. Nu artikel 2:394, eerste lid, van het BW geen ontheffingsbevoegdheid voor de minister bevat, is [appellante] derhalve wettelijk verplicht de jaarrekening openbaar te maken. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

4.3. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het economisch welzijn van het land en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, zwaarder wegen dan de door [appellante] aan artikel 8, eerste lid, van het EVRM gestelde ontleende bescherming voor [appellante] en haar grootaandeelhouder (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 1994). Weliswaar zijn de technologische ontwikkelingen dusdanig dat via internet naar personen herleidbare gegevens van bedrijven gemakkelijker beschikbaar zijn dan in 1994, maar dat maakt niet dat tot een ander oordeel dient te worden gekomen. Het vennootschapsrecht is juist gericht op openbaarheid van de jaarrekening en de bescherming van crediteuren en andere derden, hetgeen ook voortvloeit uit de vierde EG-richtlijn betreffende de jaarrekening (richtlijn 78/660/EEG). Daarbij komt dat voor kleine vennootschappen reeds de mogelijkheid bestaat een beperkte jaarrekening openbaar te maken. De omstandigheid dat [appellante] met vrijwel geen andere derden te maken heeft dan met de Belastingdienst, maakt de belangenafweging niet anders, nu dit ieder moment kan veranderen. De toezegging van [appellante] dat daartoe geen intentie bestaat, is niet voldoende. Ook de omstandigheid dat [appellante], als gesteld, getrouw voldoet aan haar fiscale verplichtingen leidt niet tot een ander oordeel, nu dit voor elke onderneming dient te gelden. Indien [appellante] niet aan de openbaarmakingsplicht van de jaarrekening wenst te voldoen, staat het haar vrij een andere rechtsvorm te kiezen. De door [appellante] gestelde omstandigheden zijn niet zo bijzonder dat artikel 2:394, eerste lid, van het BW buiten toepassing zou moeten worden gelaten.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de voorwaarden die gelden voor micro-entiteiten als neergelegd in Richtlijn 2012/6/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft (PB 2012 L 081) en op de gedeelten uit het door haar overgelegde opiniestuk van Hijink waaruit volgt dat [appellante] op grond van die richtlijn niet gehouden is de jaarrekening te publiceren.
[appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte de mogelijkheid van vrijstelling op grond van artikel 2:396, negende lid, van het BW bij voorbaat heeft uitgesloten.

5.1. Het betoog over richtlijn 2012/6/EU van 14 maart 2012, waarin voor lidstaten de mogelijkheid wordt geopend om zogenoemde micro-entiteiten uit te sluiten van onder meer de verplichting een jaarrekening te publiceren, faalt, nu de beoordeling dient te geschieden naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit en deze richtlijn ten tijde van het besluit van 31 maart 2011 nog niet was vastgesteld.

5.2. Artikel 2:396, negende lid, van het BW voorziet niet in een ontheffingsbevoegdheid van de minister. De vrijstelling van de openbaarmakingsplicht volgt rechtstreeks uit die bepaling. Een beroep daarop in het kader van een verzoek om ontheffing van de openbaarmakingsplicht van de jaarrekening is derhalve niet mogelijk. Gelet daarop kan hetgeen [appellante] in hoger beroep daarover heeft aangevoerd niet leiden tot ontheffing van de openbaarmakingsplicht, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

 

Meer informatie

Aanvulling 27 januari 2015

Anton Dieleman (blog, profiel)  laat vandaag weten:

Las jouw blog. Voorspelbare uitspraak. Artikel ziet op faillissementssituaties. Quote-overwegingen zijn eerder voor het Europese hof uitgevochten en zonder succes.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: http://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: https://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Accountant en ondernemingsrecht, Jaarstukken en financiële verantwoording en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s