Rechtbank uitspraak inzake artikel 2:207c BW (verboden steunverlening) en het overgangsrecht flex-bv wetgeving

De Rechtbank Gelderland heeft op 12 juni 2013 uitspraak gedaan in een zaak waarin het overgangsrecht inzake artikel 2:207c BW aan de orde kwam. Het betrof de curator van een failliete bv die procedeerde tegen een aandeelhouder. Vóór de inwerkingtreding van de flex-bv wetten op 1 oktober 2012 wordt door de curator het standpunt ingenomen dat een bepaalde rechtshandeling nietig is wegens strijd met artikel 2:207c BW en ná de inwerkingtreding wordt een dagvaarding uitgebracht.

De Rechtbank overweegt – waarbij ik in de geciteerde tekst de aangesproken partij als “X” heb aangeduid en de failliete bv als [gefailleerde bv] – het navolgende inzake het overgangsrecht:

4.11. Artikel 2:207c BW is komen te vervallen met ingang van 1 oktober 2012 door de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV van 18 juni 2012 (Stb. 2012, 299, kamerstukken 31 058). De dagvaarding is van na die datum, namelijk van 8 oktober 2012. Bij brief van 7 december 2011 heeft de curator aan X meegedeeld dat hij ‘deze rechtshandeling (…) nietig’ acht.

4.12. In de Invoeringswet Flex-BV van 18 juni 2012 (Stb. 2012, 300, kamerstukken 32 426) worden enkele algemene overgangsbepalingen uit de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna Ow NBW) van overeenkomstige toepassing verklaard op de wijzigingen ingevolge de Wet Flex-BV, waaronder de artikelen 80 en 81 Ow NBW. Artikel 80 Ow NBW ziet op vernietigbare rechtshandelingen, artikel 81 Ow NBW op nietige rechtshandelingen. Handelen in strijd met artikel 2:207c BW is nietig (en niet vernietigbaar), zodat artikel 81 Ow NBW van toepassing is.

4.13. Artikel 81 Ow NBW luidt als volgt:
“1. Een nietige rechtshandeling wordt op het tijdstip waarop de wet op haar van toepassing wordt, met terugwerkende kracht tot een onaantastbare bekrachtigd, indien zij heeft voldaan aan de vereisten die de wet voor een zodanige rechtshandeling stelt.
(…)
3: De vorige leden gelden slechts, indien alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen, de handeling voordien als geldig hebben aangemerkt.”

4.14. Nu de curator bij brief van 7 december 2011 de nietigheid heeft ingeroepen (vergelijk: Hoge Raad 31 mei 2013, LJN CA1641), is aan de voorwaarde van artikel 81 lid 3 Ow NBW niet voldaan en mist dit artikel toepassing.
Van een op grond van het Overgangsrecht onaantastbare rechtshandeling is derhalve geen sprake zodat ter beoordeling voorligt of het buitenrechtelijk door de curator gedane beroep op nietigheid rechtens effect sorteert.

Vervolgens gaat de Rechtbank in op de vraag of in strijd met artikel 207c is gehandeld, ik neem hier ook informatie inzake de volgens de curator verboden handeling op:

4.9. De curator stelt dat de tweede overeenkomst regelt dat X 15 % van de aandelen in [gefailleerde bv] koopt van [naam 2] en [naam 1] voor een aankoopprijs van € 1,00, dat X ter compensatie van die aankoopprijs € 37.500,00 vergoedt en dat [gefailleerde bv] aldus verboden geldelijke steun als bedoeld in artikel 2:207c BW verleent aan X met het oog op het kopen van haar aandelen door X. De rechtshandeling is nietig en de curator heeft daarop voor 1 oktober 2012 een beroep gedaan, aldus de curator.

4.10. X betwist dit. Zij voert aan dat zij met de tweede overeenkomst niet het oogmerk heeft gehad om een verboden constructie in het leven te roepen. Zij geeft aan dat er meer is overeengekomen dan de kortingsregeling en dat de overeenkomst daarnaast ook verdergaande samenwerking beoogde. Ook is het vermogen van [gefailleerde bv] door de overeenkomst niet verslechterd nu de overeenkomst [gefailleerde bv] een extra omzet gunde voor interne werkzaamheden (door [gefailleerde bv] voor X) als aanvulling op de reeds overeengekomen externe werkzaamheden (door [gefailleerde bv] voor klanten van X), aldus X. (…)

4.15. Artikel 2:207c BW bepaalt:
“1. De vennootschap mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal (…), zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden. (…)
2. 2. Leningen met het oog op het nemen of verkrijgen van aandelen in haar kapitaal (…), mag de vennootschap slechts verstrekken (…).
3. 3. (…)”

4.16. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer Hoge Raad 7 mei 2004, NJ 2004, 360) volgt dat het in artikel 2:207 c lid 1 BW neergelegde verbod restrictief moet worden uitgelegd.
Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor over de pauliana-vordering heeft overwogen, kan niet gezegd worden dat het doel van de kortingsregeling was om met deze steun van [gefailleerde bv] aan X haar in staat te stellen aandelen in [gefailleerde bv] te verwerven. Daarmee mist artikel 2:207c BW toepassing, nog daargelaten dat de kortingsregeling niet kan worden aangemerkt als ‘zekerheid stellen’, ‘een koersgarantie geven’, ‘zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden’ of ‘het verstrekken van een lening’, als bedoeld in artikel 2:207c BW. Evenmin kan deze worden aangemerkt als de in dat artikel genoemde omstandigheid dat de B.V. ‘zich op andere wijze sterk maakt’. De curator heeft dat niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld.
Van de omstandigheid dat de B.V. ‘zich op andere wijze sterk maakt’ kan ook geen sprake zijn omdat die omstandigheid gezien moet worden in het licht van de in voormeld wetsartikel direct daarvoor genoemde omstandigheden van ‘zekerheid stellen’ of ‘een koersgarantie geven’. Van een daarmee vergelijkbare situatie is in dit geval geen sprake.
Ook miskent de curator dat de compensatie ziet op het verleden en dus niet te beschouwen is als de omstandigheid dat de B.V. ‘zich op andere wijze sterk maakt’ omdat die omstandigheid op het heden en de toekomst lijkt te duiden en niet op het verleden en een reeds aangegane participatie.

4.17. Ten slotte was het ten tijde van het sluiten van de tweede overeenkomst niet zeker of X zou kunnen profiteren van een korting van in totaal € 37.500,00 omdat dat afhing van de opdrachten die [gefailleerde bv] voor klanten van X zou kunnen uitvoeren en op X niet de verplichting rustte om [gefailleerde bv] die opdrachten te gunnen. Daarbij komt dat [gefailleerde bv] zelf ook rechten verkreeg uit de eerste overeenkomst zodat de verplichting om eventueel een aandelenverhouding te helpen compenseren niet gezien kan worden als handelen in strijd met artikel 2:207c BW.

4.18. Aldus is geen sprake van de in artikel 2:207c BW verboden steun van [gefailleerde bv] aan X.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: http://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: https://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Flexibilisering bv-recht, Overgangsrecht flex-bv en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s