WODC-rapport “Het aansprakelijk stellen van bestuurders”

Het WODC heeft onderzoek gedaan naar de overwegingen die spelen bij het al dan niet intern aansprakelijk stellen van bestuurders en interne toezichthouders. De onderzoekers schrijven dat in de parlementaire beraadslagingen over de mogelijkheden om falende bestuurders en toezichthouders aan te spreken op de veroorzaakte schade  gesuggereerd werd dat bestuurders na het plegen van wanbeleid of fraude vaak met de schrik vrijkomen. De conclusie van het WODC-onderzoek is dat deze veronderstellingen niet juist zijn.

Hierna een citaat uit de conclusie:

Artikel 2:9 BW geeft een civielrechtelijke mogelijkheid voor schadeverhaal aan de rechtspersoon en beoogt daarnaast een preventieve werking te hebben. Immers, bestuurders en toezichthouders zullen zich – zo is de redenering – niet te buiten gaan aan roekeloos gedrag of onzorgvuldig handelen als ze weten welke schadeclaims hun boven het hoofd hangen.
In de besluitvorming over de toepassing van artikel 2:9 BW blijkt het schadeverhaal echter geen overheersende overweging te zijn. Door onze respondenten wordt de slaagkans bij een procedure op grond van artikel 2:9 BW betrekkelijk laag ingeschat en wordt daarentegen verwacht dat de kosten van de procedure, in termen van tijd, geld, inspanning en mogelijke risico’s, hoog zullen zijn. Onder deze omstandigheden is schadeverhaal doorgaans weinig aantrekkelijk. Schadeverhaal blijkt echter niet de belangrijkste reden te zijn om te besluiten tot interne aansprakelijkstelling. Aansprakelijkstelling kan worden ingezet om een signaal af te geven of om de gewezen bestuurder of toezichthouder te straffen voor het veroorzaken van de fraude. Dit laatste is in lijn met de opvatting van Elster (1998) dat financiële schadeclaims tussen zakenpartners moeten worden beschouwd als de materiële weerslag van de daaraan ten grondslag liggende gevoelens van minachting en afkeuring. Het civielrechtelijke instrumentarium wordt in dat geval – evenals de strafrechtelijke sanctie – gebruikt om zijn expressieve functie. Sommige respondenten spreken zelfs letterlijk over het ‘straffen’ van de bestuurder of interne toezichthouder. Net als bij strafoplegging creëert de toepassing van interne aansprakelijkstelling sociale afstand tussen de sanctietoepasser en degene tegen wie de sanctie is gericht. Door zich op deze wijze af te keren van (voormalige) collega’s brengen de toepassers tot uitdrukking dat zij ‘schoon schip’ willen maken binnen de onderneming.
In de parlementaire beraadslagingen over de mogelijkheden om falende bestuurders en toezichthouders aan te spreken op de veroorzaakte schade werd gesuggereerd dat bestuurders na het plegen van wanbeleid of fraude vaak met de schrik vrijkomen. Zij zouden weinig te vrezen hebben van sancties en maatregelen, zoals civiele aansprakelijkstelling. De conclusie van ons onderzoek is dat deze veronderstellingen niet juist zijn. In de eerste plaats wordt onder bepaalde omstandigheden wel degelijk via artikel 2:9 BW opgetreden om schade te verhalen, de betrokkene te straffen of om een duidelijk signaal af te geven dat de organisatie schoon schip maakt na de ontstane problemen. In de tweede plaats kan uit het enkele feit dat niet in alle gevallen een formele procedure op grond van artikel 2:9 BW wordt gevoerd, niet worden afgeleid dat er niets tegen de bestuurder of toezichthouder wordt ondernomen. Er kunnen andere maatregelen worden getroffen die niet altijd zichtbaar zijn, zoals het geven van ontslag of het treffen van een schikking. In de regel is er, ook wanneer het niet tot een formele aansprakelijkheidsprocedure komt, sprake van een forse impact op de verdere carrièreperspectieven en de persoonlijke levenssfeer van de bestuurder.
Er kunnen in de praktijk goede redenen zijn om geen gebruik te maken van artikel 2:9 BW in gevallen waarin het artikel wel zou kunnen worden gebruikt. Er valt soms meer te verliezen dan te winnen met het instellen van een procedure op grond van artikel 2:9 BW. Afzien van civiele aansprakelijkstelling duidt er niet op dat de falende bestuurder of toezichthouder de hand boven het hoofd wordt gehouden. De kosten en baten van het instellen van een procedure worden door de beslisser afgewogen en dit kan betekenen dat op goede gronden van aansprakelijkstelling wordt afgezien, ook al zou de actie kansrijk zijn geweest.

Meer informatie:

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: http://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: https://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Bestuur en toezicht, Bestuurdersaansprakelijkheid en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s