Volstortingsperikelen onder oud bv-recht

Onder het huidige bv-recht is veel te doen rond het correct volstorten van aandelen. Dit wordt veroorzaakt doordat voor de vraag of de aandeelhouder bij uitgifte van de aandelen aan de stortingsplicht heeft voldaan, geen betekenis wordt toegekend aan de verklaring van de bank en ook niet aan de medewerking door de notaris aan de oprichting van de besloten vennootschap. Voor het antwoord is uitsluitend van belang wat er feitelijk is gebeurd. Zie over dit onderwerp ook het artikel dat ik eerder schreef.

Recente zaak over volstorting van aandelen (huidig bv-recht)

De problemen rondom volstorting werden recent weer geïllustreerd door de uitspraak van Rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 20 juni 2012. Deze uitspraak gaat over de aansprakelijkstelling van de statutair directeur van een bv wegens het niet volstorten van de aandelen van die bv. De Rechtbank overweegt onder meer:

De rechtbank stelt vast dat het gestorte kapitaalbedrag vrijwel direct na storting weer is teruggestort op de rekening van de aandeelhouder en dat niet duidelijk is waarom dit bedrag is teruggestort en in hoeverre de vennootschap in oprichting nog aanspraak kon maken op dit bedrag. Daarom staat niet vast dat het gestorte kapitaal daadwerkelijk aan de vennootschap in oprichting ter beschikking is gesteld, zoals volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wel is vereist. De vordering sub 1 komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen als hierna weergegeven bij de beslissing.

Uit de terugboeking “conform opdracht” blijkt niet dat het ging om een lening. Uit de door de bestuurder overgelegde jaarstukken van de verschillende vennootschappen blijkt ook niet dat de terugboeking van het stortingsbedrag is gedaan ten titel van een op zakelijke voorwaarden overeengekomen lening. Wat die zakelijk voorwaarden inhielden is ook niet gesteld. Zo is niet bekend of renteafspraken zijn gemaakt en of rentebetalingen ook hebben plaatsgevonden.

Gevolg is dat de rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan de stortingsplicht en dat de bestuurder naast de failliet hoofdelijk aansprakelijk is ex artikel 2:180 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek, wat neer komt op aansprakelijkheid voor het gehele boedeltekort.

Nieuw bv-recht vanaf 1 oktober 2012
Onder het nieuwe bv-recht verdwijnt deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid voor het boedeltekort.

Overigens laat dit onverlet dat ook onder het nieuwe bv-recht een aandeelhouder verplicht is tot volstorting van de aandelen. Wat ook niet verandert, is dat de (voormalig) aandeelhouder niet bevoegd is om zijn stortingsschuld te verrekenen met vorderingen die hij op de bv heeft (artikel 2:191 lid 3 Burgerlijk Wetboek).

Aanvulling 17 juli 2012
Zie over het onderwerp van dit bericht ook de reactie van Dirk de Lange in de discussie op de LinkedIn groep over dit onderwerp. Dirk schrijft:

In aanvulling op de post van Ellen over volstortingsperikelen, is het bestuur van de haak (ex 2:180 BW) na 1 oktober 2012 voor rechtshandelingen die zijn verricht na oprichting maar voor 1 oktober 2012, terwijl de aandelen niet waren volgestort? Ik denk het niet. Zie ook Jean Schoonbrood, WPNR 6933 van juni 2012) waarin hij een grondige uiteenzetting van het overgangsrecht geeft. (…)

Aanvulling 23 juli 2012
Dat echte geldleningen wel kunnen blijkt uit diverse uitspraken, onder meer uit de uitspraak van Rechtbank Utrecht van 25 april 2012. De overwegingen van de rechtbank luiden (onderstreping door mij):

4.  De beoordeling
4.1.  De curator legt aan haar vorderingen ten grondslag de stelling dat de aandelen in Leeftrends Utrecht bij haar oprichting niet daadwerkelijk door Leeftrends Beheer zijn volgestort, omdat van het onder de noemer “aandelenkapitaal” door Leeftrends Beheer op de rekening van Leeftrends Utrecht gestorte bedrag van € 50.000,- een bedrag van
€ 49.000,- vrijwel meteen is doorbetaald aan Leeftrends Houten. Dit laatste bedrag heeft derhalve niet reëel ter beschikking gestaan van Leeftrends Utrecht, aldus de curator.
Ter comparitie heeft de curator hieraan toegevoegd dat een schriftelijke overeenkomst van geldlening ontbreekt, zodat uit niets blijkt dat de betaling door Leeftrends Utrecht aan Leeftrends Houten een geldlening was. En als het al een geldlening was, dan is deze niet op zakelijke voorwaarden gesloten, aldus, nog steeds, de curator.

4.2.  Hiertegenover stellen gedaagden dat het bedrag dat met de volstorting is gemoeid (€ 50.000,-) wel degelijk ten tijde van haar oprichting aan Leeftrends Utrecht ter beschikking heeft gestaan, zodat het standpunt van de curator dat geen volstorting als bedoeld in artikel 2:191 BW heeft plaatsgevonden, dient te worden verworpen. Gedaagden voeren daartoe aan dat het geld door Leeftrends Utrecht is uitgeleend aan haar zustervennootschap omdat die behoefte had aan liquide middelen, terwijl Leeftrends Utrecht zelf op dat moment geen geld nodig had vanwege het feit dat de nieuwbouw, waarin zij haar woonwinkel zou exploiteren, vertraging had opgelopen. Door het uitlenen van voornoemd bedrag ontstond een even grote vordering van Leeftrends Utrecht op Leeftrends Houten. Een en ander blijkt uit het overgelegde rekening-courant overzicht. De daarin genoemde bedragen aan de creditzijde zijn kosten, die Leeftrends Houten een jaar later heeft voorgeschoten ten behoeve van de inrichting van Leeftrends Utrecht, aldus gedaagden.

4.3.  In beginsel geldt dat indien het op de aandelen gestorte geld is uitgeleend aan Leeftrends Houten, zulks de rechtsgeldigheid van de storting niet aantast, ook niet als dit direct na de volstorting is gebeurd. Dit zou anders zijn indien de kapitaalstorting als schijnhandeling zou zijn te kwalificeren, bijvoorbeeld indien reeds voorafgaand aan de storting en oprichting de bedoeling was om de kapitaalstorting door te sluizen zonder reëel vooruitzicht op terugbetaling. Dat van een dergelijke schijnhandeling sprake is, volgt in ieder geval niet uit de enkele stelling van de curator dat de eventueel overeengekomen geldlening niet op zakelijke voorwaarden is gesloten (wat daarmee ook wordt bedoeld).
Ook overigens is niet gebleken dat reeds voorafgaand aan de storting en oprichting de bedoeling was om de kapitaalstorting door te sluizen zonder reëel vooruitzicht op terugbetaling. Het tegendeel is eerder aannemelijk, gegeven dat gedaagden voor de financiering van zustermaatschappij Leeftrends Houten een genoegzaam aannemelijke zakelijke ratio hebben genoemd, terwijl Leeftrends Houten kennelijk – blijkens het rekening-courantoverzicht – ter gelegenheid van het operationeel opstarten van Leeftrends Utrecht, een aanvang heeft gemaakt met terugbetaling van deze financiering door middel van het betalen van diverse aan Leeftrends Utrecht toe te rekenen kosten, en verrekening daarvan in rekening-courant. Nu genoegzaam is aangetoond dat aan de betaling door Leeftrends Utrecht aan Leeftrends Houten een reële overeenkomst van geldlening ten grondslag ligt, aan welke conclusie niet afdoet dat deze overeenkomst niet is neergelegd in een ander schriftelijk stuk dan het rekening-courantoverzicht, is de slotsom dat de aandelen in Leeftrends Utrecht bij haar oprichting door Leeftrends Beheer zijn volgestort. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

Advertenties

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: http://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: https://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Volstorting aandelen en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s