Verslag van het overleg over de invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht op 26 september 2011

Voor de liefhebbers is MS Word versie van het verslag (20 pagina’s) beschikbaar van het overleg van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 26 september 2011 met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie over de invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht. Het officiële verslag zal worden geplaatst in het overheid.nl dossier inzake de invoeringswet. Onderstaand uit dit verslag de beantwoording van de gestelde vragen door de minister.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik dank de commissie voor haar bijdrage. Zoals door de leden is gesteld, is dit een belangrijk wetsvoorstel met een bepaalde geschiedenis. Ik zal daar zo even op ingaan. Eind 2009 is het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht door de Tweede Kamer aanvaard. Het wetsvoorstel ligt nu in de Eerste Kamer, die nadrukkelijk wacht tot deze invoeringswet daar is beland, zodat beide voorstellen gezamenlijk kunnen worden behandeld. Naar de mening van het kabinet is het van groot belang dat nieuwe wetgeving zo snel mogelijk in werking treedt. Ik ben dan ook blij dat de Tweede Kamer dit wetgevingsoverleg alsnog op deze dag heeft kunnen inplannen.

Het nieuwe bv-recht maakt oprichting van bv’s eenvoudiger en goedkoper. Het maakt de inrichting flexibeler doordat meer maatwerk mogelijk is. Ik heb de indruk uit de vele contacten die ik over dit wetsvoorstel heb gehad dat Nederland hierop zit te wachten en nadrukkelijk een prioriteit stelt in allerlei zaken rond de vernieuwing van het BW om het bedrijfsleven het mogelijk te maken, effectief te kunnen opereren en knopen door te hakken. Daardoor kan het nieuwe bv-recht een impuls geven aan de bedrijvigheid in Nederland. Ik ben gevoelig voor cijfers omdat daaruit blijkt war het om gaat. Er worden per jaar 30.000 bv’s opgericht. In totaal zijn er circa 780.000 bv’s in ons land. De administratieve lasten worden op jaarbasis met circa 51 mln. verminderd. De praktijk bereidt zich voor op het nieuwe bv-recht en heeft ons verschillende technische opmerkingen doen toekomen waarmee wij ons voordeel kunnen doen en hebben gedaan. Ik dank de commissieleden en de specialisten binnen de fracties voor de wijze van werken en het voeren van overleg. De heer Van der Steur heeft gezegd dat het privaatrecht het hart van de samenleving is. Het krijgt soms minder aandacht in de publiciteit, maar het is niet minder belangrijk.

Het wetsvoorstel en de nota van wijziging herstellen omissies en geven nadere uitwerking. Het wetsvoorstel doet ook een aantal toezeggingen gestand dat door mijn ambtsvoorganger is gedaan. In het wetsvoorstel is ingegaan op de vraag wat er gebeurt met stemrechtloze en winstrechtloze aandelen bij de fusie van een bv met een nv. Er is voldaan aan toezeggingen om in het kader van de invoeringswet aandacht te besteden aan de fiscale gevolgen van het nieuwe bv-recht en aan de mogelijkheid om buitenstatutaire afspraken nader wettelijk te faciliteren. Dit heeft niet tot wetswijzigingen geleid. Verder is in de memorie van toelichting ingegaan op de administratieve lasten van de invoering van het nieuwe bv-recht en op diverse overgangsrechtelijke vraagstukken. Omdat geen afzonderlijke statutenwijziging nodig is om te voldoen aan de wet, wordt nog eenmalig ruim 10 mln. aan incidentele lasten voor het bedrijfsleven bespaard. Natuurlijk doet het wetsvoorstel wat een invoeringswet moet doen: het zorgt voor aanpassing van de overige wetgeving aan het nieuwe bv-recht. Dit ter inleiding. Ik ga nu graag in op de vragen en opmerkingen van de Kamer.

De heer Van der Steur en anderen — eigenlijk alle woordvoerders — hebben over artikel 216 gesproken. Kan de minister bevestigen dat artikel 216 van het wetsvoorstel een codificatie van de jurisprudentie is? De inhoudelijke beoordeling die van het bestuur wordt verwacht bij een uitkering is gelijk aan wat nu al in de rechtspraak is bepaald. Het is dus inderdaad een codificatie van de jurisprudentie op dit punt.Een andere vraag was: klopt het dat van het bestuur mag worden verwacht dat het bij een uitkering maximaal twaalf maanden vooruitkijkt? Het gaat om wat het bestuur op het moment van de uitkering weet of behoort te weten, met andere woorden: informatie die redelijkerwijs bij de afweging moet worden betrokken. Een periode van maximaal één jaar is de gebruikelijke termijn voor wat men behoort te weten. Dat is ook zo voor andere financiële beslissingen van het bestuur.

Is het correct dat de uitkeringstest binnen het concernverband doorgaans bestaat uit de constatering dat er voldoende eigen vermogen is en dat het onder normale omstandigheden niet nodig is om een hele fabriek van deskundigen, zoals een accountant en andere consultants, in te schakelen? Dat is een belangrijke vraag. Ik onderschrijf de interpretatie van de heer Van der Steur geheel. Als de vennootschap op basis van de boekhouding constateert dat er voldoende eigen vermogen is voor een uitkering, is onder normale omstandigheden aan de uitkeringstest voldaan. Punt. Onder normale omstandigheden behoeft de vennootschap geen externe deskundigen, zoals accountants, in te schakelen om extra comfort te verschaffen. Dit voorkomt dat er voor uitkeringen binnen concernverband door houdster- en financieringsmaatschappijen extra lasten zouden ontstaan. Inschakeling van deskundigen wordt in het wetsvoorstel juist zo veel mogelijk afgeschaft. Inschakeling van deskundigen is wel aan de orde als zich sinds de vaststelling van de laatste jaarrekening bijzondere omstandigheden in de financiële positie van de vennootschap hebben voorgedaan. Als het bestuur op het moment van de uitkering kennis heeft van zulke bijzondere omstandigheden wordt er uiteraard extra zorgvuldigheid verwacht. Dat zijn de normale omgangsvormen in het zakelijk verkeer die van iedereen mogen worden verwacht.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg of artikel 216 moet worden aangevuld om rekening te houden met tussentijdse winstuitkeringen. Dat is een terecht punt. De derde zin van artikel 216 sluit een tussentijdse uitkering in het lopende boekjaar uit, ook als de tussentijdse winst uit een tussentijdse vermogensopstelling blijkt. Als de CDA-fractie een amendement zou indienen waarin de laatste zin van artikel 216, lid 1 wordt geschrapt, zou ik dit graag steunen. Wij zouden ook kunnen concluderen dat ik die zin gewoon schrap, maar ik laat dit aan mevrouw Van Toorenburg over.

De heer Irrgang vroeg: moet er niet een vorm van crediteurenbescherming zijn? Die vraag geldt ook voor artikel 216. Ik ben het met de heer Irrgang eens dat er ter vervanging van het systeem van kapitaalbescherming een adequaat alternatief moet zijn voor de crediteurenbescherming. Daarin voorziet het wetsvoorstel met de uitkeringstest en de aansprakelijkheidssancties. Het gaat om wat het bestuur op het moment van de uitkering weet of behoort te weten over de financiële positie van de vennootschap.

De heer Van der Steur heeft gevraagd of het niet beter is om het CDA-voorstel voor de geschillenregeling mee te nemen in het latere traject. Ik kom hier zo dadelijk nog op terug, maar zeg alvast dat dit inderdaad beter is. De geschillenregeling wordt namelijk breder herzien. Daarin kan het voorstel van de CDA-fractie prima worden meegenomen. Als we het nu meenemen, lopen we het risico dat we technisch iets over het hoofd zien. Dit is namelijk ingewikkeld. Ik heb het voornemen om in 2012 te starten met de voorbereiding van wetgeving rondom de geschillenregeling.De heer Van der Steur heeft ook gevraagd wanneer het nv-recht wordt herzien. Het bv-recht heeft zeker te maken met het nv-recht, de geschillenregeling en de clawback, en ik zal nog spreken over de kabinetsvoornemens die de minister van EL&I heeft genoemd in de bedrijvenbrief, maar als je alles met elkaar in verband brengt, kun je de wet niet tot stand brengen. Ik doe een beroep op iedereen om de posities te scheiden. Ik zal in een schema aangeven hoe we alles voor elkaar kunnen krijgen. Na afronding van de herziening van het bv-recht, die absoluut prioriteit heeft, wordt het nv-recht opgepakt. De herziening daarvan begint in 2012, heb ik met mijn mensen afgesproken.

De heer Groot en de heer Irrgang vragen of ik bereid ben om tot een vergelijk met de Kamer te komen door een met het amendement-Tang/Irrgang vergelijkbare bepaling op te nemen in het clawbackvoorstel. Ik vind dat zo’n bepaling daarin thuishoort. Ik kan de vraag van de heren Groot en Irrgang bevestigend beantwoorden. In de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot aanpassing en terugvordering van bonussen heb ik de tekst van het amendement ingevoegd om de discussie van het bv-recht te verplaatsen naar de bonussen. Ik maak me nog steeds zorgen over de verhouding van de regeling ten opzichte van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, dat gaat over inbreuk op het eigendomsrecht, maar ik zoek graag met de Kamer naar een bepaling die de perverse prikkels bij overnamesituaties tegengaat en tegelijkertijd in overeenstemming is met het EVRM. Ik zeg toe dat de grote lijnen van het amendement intact blijven.

De heer Van der Steur heeft gevraagd wanneer het wetsvoorstel over clawback wordt behandeld. Het is aan de Kamer om daarvoor een datum te bepalen. Als het aan mij en mijn collega van Financiën ligt, gebeurt het zo snel mogelijk. Dit is een belangrijk onderwerp. Ik heb zojuist de relatie geschetst met het amendement-Tang/Irrgang. Daarmee is mijn positie denk ik duidelijk. Wat mij betreft komt dit zo snel mogelijk aan de orde. We zullen het amendement zo aanpassen dat het de toets der kritiek van rechters op Europees niveau kan doorstaan. Daar zijn we allemaal mee gebaat.

De heer Van der Steur heeft mij gevraagd om de Kamer bij omvangrijke civielrechtelijke wetsvoorstellen een geconsolideerde wetstekst te verstrekken waarin de wijzigingen zijn aangegeven. Vanuit mijn verantwoordelijkheid en gezien de voorbereidingen die ik hiervoor moet treffen, voel ik helemaal mee met de wens van de heer Van der Steur. Hier wordt reeds aan gewerkt. Ik zal ervoor zorgen dat dergelijke teksten in de toekomst aangeleverd kunnen worden. Dat maakt het werk aangenamer voor de Kamer en voor het departement en het helpt de Kamer in haar overleg met externe partners

De heer Bontes en mevrouw Van Toorenburg hebben gevraagd of er een risico is op stijging van fraude doordat nieuwe bv’s eenvoudiger en goedkoper kunnen worden opgericht. Dit is een belangrijk punt dat in alle opzichten continu onze aandacht heeft. Het wetsvoorstel biedt meer mogelijkheden tot maatwerk, maar dat geldt alleen voor de interne verhoudingen, voor afspraken tussen aandeelhouders. Het wetsvoorstel is absoluut niet flexibel waar het gaat om partijen die met de bv te maken krijgen, zoals schuldeisers en werknemers. Dat is een kernpunt. Schuldeisers worden, net als onder het huidige bv-recht, beschermd door dwingende regels, zoals de voorgestelde uitkeringstest en de aansprakelijkheidsregels bij financieel wanbeleid. Bestuurders en aandeelhouders zijn aansprakelijk bij foute uitkeringen. De flexibele bv kan dus niet makkelijker gebruikt worden om de schuldeisers te benadelen.

De heer Groot, mevrouw Van Toorenburg en de heer Irrgang vragen zich naar aanleiding van publicaties af of ik mij niet rijk reken met de afschaffing van de notariële akte bij de oprichting van een bv. Dat voornemen staat in de bedrijvenbrief. De afschaffing van de notariële akte is geen onderdeel van dit wetsvoorstel; we gaan daar later naar kijken. We moeten de voorbereiding van de afschaffing nog starten en ik wil dit wetsvoorstel niet belasten met de discussie daarover. Ik hoop dat de Kamer mij daarin volgt, want anders zouden we alles met elkaar verbinden. De prioriteit ligt nu bij het voorliggende wetsvoorstel. Overigens geldt het idee om de notariële akte af te schaffen, alleen voor standaardoprichtingen en niet voor gevallen waarin er ingewikkelde statuten zijn. Ik heb verder altijd informatie nodig over de oprichters ten behoeve van het doorlopende toezicht op rechtspersonen en het bestrijden van misbruik, wat daarnet aan de orde is geweest. Dat zal nadrukkelijk blijken in de voorbereiding.

De heer Bontes heeft gevraagd of artikel 238 betekent dat bij het ontbreken van de handtekening van één bestuurder toch de jaarrekening kan worden vastgesteld. Dat is niet het geval. Als de jaarrekening buiten vergadering wordt vastgesteld, moeten alle bestuurders en commissarissen ondertekenen. Als er een ontbreekt, kan de jaarrekening niet worden vastgesteld. Voor vaststelling buiten de vergadering is bovendien vereist dat alle vergadergerechtigden op de jaarrekening hebben kunnen reageren en hebben kunnen instemmen met de wijze van vaststellen.

De heer Bontes heeft ook gevraagd of de intrekking van het wetsvoorstel ten aanzien van personenvennootschappen (titel 7.13 van het Burgerlijk Wetboek) gevolgen heeft voor het bv-recht. Dat is evenmin het geval. Dit wetsvoorstel bevat bepalingen die in werking treden onder voorwaarde dat titel 7.13 in werking treedt. Nu het voorstel tot vaststelling van titel 7.13 wordt ingetrokken, hebben die bepalingen geen functie meer.

Mevrouw Van Toorenburg van de CDA-fractie heeft de suggestie gedaan om de besluitvorming door aandeelhouders buiten vergadering te versoepelen. Ik kan mij aansluiten bij het voorstel van mevrouw Van Toorenburg om de eis van ondertekening van het besluit te vervangen door de eis van schriftelijke of elektronische instemming met het vastgestelde besluit. Als de CDA-fractie overweegt om een amendement in te dienen om dit aan te passen, steun ik dat van harte.Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd of aan artikel 343 een aparte regeling kan worden toegevoegd ten behoeve van de minderheidsaandeelhouder die een uittredingsprocedure start, zodat de rechter de procedure kan aanhouden als het nadeel van de beknelde aandeelhouder wordt ongedaan gemaakt of beperkt. In het wetsvoorstel met nr. 31058 zijn in de uittredingsprocedure artikel 343, lid 2, enkele bepalingen uit de uitstotingsprocedure van artikel 336 van toepassing of overeenkomstig van toepassing verklaard. Dat geldt ook voor artikel 336, lid 4; zie de memorie van toelichting bij artikel 343, lid 2. Dat houdt onder andere in dat voor het nadeel dat de vennootschap ondervindt van de toepassing van artikel 344 moet wordt gelezen: het nadeel dat de beknelde aandeelhouder lijdt. Ik acht het niet nodig om dit verder uit te schrijven, omdat dit in combinatie met elkaar en gelet op de tekst van de memorie van toelichting als zodanig duidelijk genoeg is.

Moet een wettelijk uittredingsrecht ook worden ingevoerd in de geschillenregeling? Ook deze vraag is gesteld door de CDA-fractie. De Vereniging Handelsrecht gaat op 28 oktober aanstaande praten over preadviezen over de geschillenregeling. Mijn eigen adviescommissie inzake vennootschapsrecht, die altijd een belangrijke rol speelt in de totstandkoming van wetgeving, wil een advies uitbrengen over de geschillenregeling. Omdat een wettelijk uittredingsrecht ingrijpend is, is het beter de verschillende discussies over de geschillenregeling af te wachten en het onderwerp later op te pakken als de verschillende adviezen dezelfde kant uit wijzen. Ik wil dit wetsvoorstel er niet mee belasten. Dit belangrijke punt is in discussie, maar in een dusdanig stadium dat er nog geen duidelijke conclusies zijn te trekken. Daarom doe ik een beroep op de CDA-fractie om dit in een apart traject te behandelen. De termijn daarvoor heb ik aangegeven.

De heer Irrgang heeft nog een paar belangrijke vragen gesteld, onder andere naar de renteaftrekbepaling van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting. Kan deze niet worden ontgaan door de mogelijkheden die de flex-bv biedt? Ik hoop de heer Irrgang te kunnen geruststellen. De renteaftrekbeperking kan ook gelden indien het financieel belang en de zeggenschap gescheiden zijn. De fiscus ziet momenteel geen nieuwe ontsnappingsroutes. De ontwikkeling in de praktijk zal natuurlijk worden gevolgd, laat daar geen misverstand over bestaan.

Bij terugstorting van ongeoorloofd dividend is wettelijke rente verschuldigd is. Klopt het dat rente aftrekbaar is in de sfeer van de vennootschapsbelasting? De rente is in beginsel een aftrekpost in de vennootschapsbelasting. Dit geldt ook voor de wettelijke rente. Daar staat tegenover dat de rente belast is bij de ontvanger. Voor de gekunstelde situaties gelden aftrekbeperkingen. Deze kunnen ook van toepassing zijn op de wettelijke rente, bijvoorbeeld als via een ongeoorloofde dividenduitkering wordt geprobeerd om kunstmatig extra rentelasten te creëren.

Tot slot heeft de heer Irrgang gevraagd of een stemrechtloze aandeelhouder door een statutenwijziging kan worden gebonden aan een voor hem nadelige regeling die bepaalt dat hij een slechte prijs krijgt voor zijn aandelen in geval van een fusie, splitsing of omzetting. In de statuten kan een regeling worden opgenomen over de hoogte van de schadeloosstelling. Daarover stemmen de stemrechtloze aandeelhouders niet mee, want ze hebben in de algemene vergadering van aandeelhouders geen stemrecht. Als afbreuk wordt gedaan aan de positie van de stemrechtloze aandeelhouder, bijvoorbeeld door een slechte prijs te bepalen, geldt inderdaad artikel 2:231, lid 4, van het BW. De groep van stemrechtloze aandeelhouders moet ermee hebben ingestemd, anders geldt het voor hen niet.

Dat waren mijn antwoorden op de door de Kamer gestelde vragen.

Uit het slot van het verslag blijkt dat de woordvoerders geen behoefte hebben aan een plenaire afronding en dat dit betekent dat er dinsdag 4 oktober 2011 kan worden gestemd. De Kamer krijgt op 27 september 2011 van de minister een brief over het amendement-Van Toorenburg. Als Van Toorenburg dat wil, kan zij een gewijzigd amendement indienen. De minister stuurt de Kamer ook een nota van wijziging.

In het verslag kondigt de minister ook wijziging van de geschillenregeling van boek 2 BW aan en wijziging van de regelgeving inzake naamloze vennootschappen.

Over Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Verbonden aan Pellicaan Advocaten, http://www.pellicaan.nl/, kantoor Capelle aan den IJssel (Rotterdam), telefoon 088-6272287, fax 088-6272280, e-mail ellen.timmer@pellicaan.nl ||| Weblogs: algemeen: http://ellentimmer.wordpress.com/ ||| modernisering ondernemingsrecht: https://flexbv.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in Flexibilisering bv-recht, Parlementaire geschiedenis flex-bv en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s